27-12-1999
HISTORISCHE SPROKKELINGEN (Stichting De Lansingh)
Studie verzameling geschiedenis 3B-Hoek en omgeving (C) Henk Berghout.
Landbouwgeschiedenis Nederland (4500 voor Chr. - heden)
De landbouwgeschiedenis van ons land begint omstreeks 4500 voor Chr. met
de vestiging in het zuiden van de tegenwoordige provincie Limburg van een
boerenbevolking, die afkomstig was uit de Donaulanden. Deze boeren ver-
bouwden verschillende graansoorten en hielden ook vee. Aangezien zij na
enkele honderden jaren ons land weer verlieten en hun aantal en het ge-
bied waarin zij woonden klein waren, hebben zij waarschijnlijk geen con-
tact gehad met andere bewoners van ons tegenwoordige grondgebied. Deze
inheemse bevolking leefde nog eeuwen daarna als voedselverzamelaar en pas
sinds de komst van de hunebedbouwers, die ca. 3500 voor Chr. uit het oos-
ten ons land binnentrokken, werd ons land onafgebroken door landbouwers
bewoond. (B104) (L).
Kort na 4000 voor Chr. Bandkeramische cultuur op de löss in Nederlands
Limburg en België. De dragers daarvan kenden landbouw en veeteelt. (B136)
3000 v. Chr. 4,25 m - N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150).
5000 jaar geleden (3000 voor Chr) woonden er boeren op de Hazendonk. Deze
top van een rivierduin in de huidige Alblasserwaard. Omstreeks 2000 voor
Chr. werden zij door de hoge waterstand gedwongen de plek op te geven.
(B158).
Vanaf 2900 v Chr. tot 2250 v Chr. bestond het gebied tussen Den Haag,
Gouda en Rotterdam uit wad, kwelderland en rietgorzen met ten dele brede
kreken. Via de Rijn-Maasmond had het getij vat op deze "biesbos". Ons
land was in deze tijd bewoond door vissers en jagers. Omstreeks 2400 v
Chr. dringen andere volken het land binnen, die hier het wiel en de ko-
persmederij introduceren, ook bij Vlaardingen en Hekelingen zijn sporen
van bewoning gevonden. (B150).
Ca. 2500 voor Chr. raakten Voorschoten, Leidschendam en Vlaardingen be-
woond, hun cultuur wordt de Vlaardinger cultuur genoemd. Ongeveer vijf
eeuwen heeft de Vlaardinger cultuur bestaan en rond ca. 2000 voor Chr.
verdreven door de zee. (B107).
De Vlaardinger cultuur is van ca. 2500 v Chr. (B24).
Voor 2000 voor Chr. Hunebedbouwers in Oost-Nederland, zij kenden landbouw
en veeteelt. (B136).
Ca. 2000 v. Chr. Meer zuidelijk was de Rotte een tak van de IJssel, die
langs Nieuwerkerk en Terbregge moet hebben gelopen. Dit is te zien op
luchtfoto's waarop de klei-afzettingen goed uitkomen. Ook de hoogtekaart,
het huidige verloop van sloten en de opvallende versmalling van de Rotte
bij Terbregge zijn hier aanwijzingen voor. Pas in 1164 zou deze IJsselarm
bij een invasie van zee uit zijn verdwenen. (B150).
2000 v. Chr. 3,25 m - N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150).
1500 v. Chr. 2,50 m - N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150).
Ca. 1300 voor Chr. Halssnoer van Exloo vervaardigd. (B136).
Na 1000 voor Chr. Infiltratie van Kelten en Germanen. (B136).
Ca. 800 voor Chr. Begin van de urnenvelden. (B136).
750 v. Chr. 1,85 m - N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150).
Ca. 300 voor Chr. Begin van de terpenbouw in Friesland. (B136).
Resten van aardewerk uit de 2e eeuw voor Chr. werden op de begraafplaats
van de N.H. kerk te Hillegersberg gevonden in 1957. (B102) (K).
De berg te Hillegersberg heeft geen Romeinse bewoning gehad echter wel
een pré Romeinse (dit o.b.v. de gevonden scherven op de begraafplaats).
(B102). (K).
De donk (berg) te Hillegersberg is een pleistocene opduiking voornamelijk
uit het Boven-Turbantien daterende afzetting van het laagterras. (B101).
Hillegersberg, Hildegondsberg, Hellegaertsberg of Hidegaertsberg, waarvan
zeker is dat de heuvel niet door mensenhanden is opgeworpen. (B61).
In 1892 liet Prof. Reuvens ten westen van de op den heuvel gebouwde kerk
boringen verrichten. Op een diepte van 3 1/2 meter trof hij een hellende
veenlaag van 3 dm dikte, waarmede hij de natuurlijke samenstelling van
den heuvel aantoonde. (Hillegersberg) (B160).
De oudste sporen van mensen in het stroomgbied van de Rotte dateren van-
uit de ijzertijd en zijn gevonden in de omgeving van Terbregge. Ruim 200
meter oostelijk van de huidige Rotte werd in 1920 bij het graven van een
sloot een oude boot opgegraven. Het was een zogenaamde stakboot, die in
een later verlande kreek lag: de bodem van de bedding bestond uit klei
met wortelstokken van riet. Daar bovenop werden in het veen resten van
moerasbos gevonden. Achter in de boot, die met stenen werktuigen uit
eikehout is gehakt, is een brandplek te zien. Hij heeft een massieve,
overhangende en van boven platte boeg, waarin een gat zit met een door-
snede van ongeveer 5 cm. Daar kan een stok doorgestoken worden, waarmee
de boot kan worden vastgelegd. De stakboot heeft tenslotte een eigenaar-
dige vaste versterking bij het achtereind (wrang) en de uitholling loopt
naar achter staffelsgewijs op. Op grond van aardewekvondsten die ter
plaatse werden gedaan, heeft men deze boot oorspronkelijk gedateerd op
de 6e of 7e eeuw. In de veertiger werden iets noordelijker potscherven
gevonden bij het maken van een graskuil. De randen hiervan zijn gekar-
teld, doordat de makers er met de vingers in drukten. Men veronderstelt
dat ze uit de 1e eeuw dateren. Ze vertonen zoveel overeenkomst met de
eerder genoemde vondsten, dat men thans meent dat ook deze en de stakboot
uit de 1e eeuw afkomstig zijn. (B150).
Tijdens de transgressiefasen voor de jaartelling overstroomde het stroom-
gebied van de Gantel, er ontstond een wijdvertakt stelsel van getijdekre-
ken in het veengebied. Na verloop van tijd raakte de monding van de Gan-
tel in de Maas (tussen Monster en 's Gravenzande) in de zee uitmonde ver-
stopt en verlanden de kreken. Het gebied dat zich uitstrekte van Monster
langs Poeldijk en Wateringen naar Delft en Pijnacker werd daardoor bedekt
met vruchtbare klei en zand, het z.g. Ganteldek. De nu ontstane zand- en
kleiruggen waren geschikt voor het bouwen van huizen en werden voor bewo-
ning opgezocht. Aanvankelijk werd alleen de grond in de direkte omgeving
van de oeverwallen vruchtbaar gemaakt. Vanaf de 8e eeuw werd de ontgin-
ning van de wildernis zelf ter hand genomen. (B137).
Romeinse tijd - 12 v Chr. - 450 na Chr.
58-50 voor Chr. Julius Caesar verovert Gallië. Hij bedwingt ook de Bel-
gische stammen in het zuiden, o.a. de Menapiërs en de Eburonen. (B136).
Tussen 51 en 12 voor Chr. Vestiging van de Bataven in de Betuwe en van de
Canninefaten in de duinstreek van Holland. (B136).
Ongeveer 50 jaar voor Chr. kwamen de Romeinen door gebiedsuitbreiding
naar het noorden in contact met de bewoners van wat nu Nederland is. De
stammen die daar woonden hadden met elkaar gemeen dat het Germanen waren.
(B104) (R).
12-9 voor Chr. Veldtochten van Drusus in de Nederlanden. (B136).
12-9 voor Chr. Veldtocht in Germanië van Drusus, onderwerping van de Ba-
taven, de Friezen en de Chauci. (B143).
Kort voor het begin van onze jaartelling werden in het Maasmondgebied bij
Vlaardingen al simpele houten duikers gebruikt; afwateringsgoten met een
eenvoudig schuifmechanisme dat met de hand kon worden bediend. Dit sys-
teem moet door de plaatselijke bevolking zijn ontwikkeld. (B158). De hou-
ten duikers zijn in 199? gevonden bij Vlaardingen. (Infomap Archeologie
Pro Biblio, 1998).
Het jaar 0: 1,30 m - N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150).
9 na Chr. De provincie Germanië wordt opgeheven, maar de Rijngrens blijft
gehandhaafd. (B143).
28-47 na Chr. Opstand van de tribuutplichtige Friezen tegen Olennius, on-
derdrukt door Corbulo. (B136).
Turf als brandstof is al zeer oud. Reeds in 47 na Chr. gebruikte de
Kauchen, de bewoners van de kuststreek van het in later tijd verdronken
land van de Zuiderzee, "de door de zon maar meer nog door de wind ge-
droogde aarde als brandstof". H. Crompvoets schrijft echter in zijn boek
over veenderijterminilogie: "Al in 77 na Chr. maakt Plinius Maior in zijn
"Historia Naturalis" melding van het feit dat de Chauken, een Germaanse
stam aan de Noordzee tussen Eems en Elbe, het slijk mat de handen kneed-
den om het vervolgens te laten drogen in de wind en de zon, waarna ze het
gedroogde slijk gebruikten om hun ledematen te verwarmen." (V).
De Corbulogracht, lengte 23 mijl, van Maas naar Rijn - ruwweg vanaf het
castellum Matolone (Roomburg bij Leiden) via Naaldwijk naar het zuidwes-
ten. (Na ca. 47 na Chr. gebouwd). (B117) (R).
Voor het Romeinse publiek schreef de Romeinse senator Cornelius Tacitus
een overzicht over het gebied en de gewoonten van de Germanen. In het
jaar 98 was het boek klaar dat onder de naam "Germania" bekend zou wor-
den. Tacitus begint met de mededeling dat het landschap voornamelijk be-
staat uit 'ofwel borstelige wouden ofwel stinkende moerassen'. Hij ver-
meld dat onze voorouders roodachtig haar hadden. Maar deze rode kleur was
niet natuurlijk; men gebruikte Bataafs schuim, een soort haarverf. (B104)
(R) (V).
98-117 Regering van Keizer Trajanus, die Nijmegen waarschijnlijk tot de
rang van municipium heeft verheven. (B136).
Na 250 De Rijngrens in de Nederlanden wordt opgegeven in verband met wa-
teroverlast. (B136).
250 n. Chr. 0,90 m - N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150).
Ca. 300. Herstel van de Rijngrens. (B136).
Eind 3e eeuw bestond het gebied dat later Delfland werd uit een slecht
toegankelijke waterrijke wildernis, alleen de strandwallen waren voor be-
woning geschikt. (B137).
Ca. 400. Grote invasie van Germanen in Gallië. (B236).
Hoofdstuk VII, blz. 80: "De Historie" (1950). De Bataven zijn te beschou-
wen als een grensvolksstam uit de groep der Chatten; zij werden waar-
schijnlijk door de Romeinen verplaatst naar de Betuwe; waarom? Of indien
zij uit vrije verkiezing uit het Hessenland wegtrokken, waarom gingen ze
juist naar de Betuwe? Drusus had in de Rijnstreek voedsel nodig en dit
kon hij alleen bereiken door graanbouw en door voorziening van vee en
veeproducten. Hij moest de Betuwe daarom voor de landbouw vrij maken van
waterovervloed, wat gelukt moet zijn. (B122) (R) (L).
Dat de Brittenburg een Romeins fort geweest zou zijn, heeft Holwerda be-
streden en ons inziens terecht. (B122) (R).
Het is voorts bekend dat tal van plaatsen die in de Romeinse tijd bewoond
waren - het Westland, belangrijke delen van Zeeland en zuiderlijk Zuid-
Holland en het gebied van de grote rivieren - omstreeks de IV de eeuw na
Chr. ontvolkt raakte. De oorzaak daarvan blijkt te liggen in een trans-
gressie, die de oude bewoningsplaatsen voor een aanzienlijk deel met een
kleipakket afdekt. (B65) (R).
300-400
Oorzaken van de volksverhuizingen. Waarom hebben de Germanen zich ver-
plaatst? Woelingen in China die zich in de 4e eeuw voordeden hadden tot
gevolg dat Mongoolse nomaden, de Hiang-Nou of Hunnen naar het westen
moesten wijken. Omtrent 370 verschenen ze ten oosten van de Zwarte Zee en
dreven op hun beurt de Goten vooruit. (De Goten dreven de Germanen voor-
uit) en de Germanen begonnen het Romeinse rijk binnen te vallen. Het
meest tastbare van de volksverhuizingen is het ontstaan geweest van Ger-
maanse koninkrijken op grondgebied van het Romeinse rijk. (B111) (R).
In de transgressieperiode (stijging zeewaterniveau) die van ca. 300 tot
800 na Chr. duurde en waarin de zee eveneens oude geulen benutte om het
land binnen te dringen en de oevers te overstromen. In dit tijdvak werden
in grote gebieden sedimenten van klei afgezet. (B31).
Er is zelfs een goede reden om aan te nemen, dat het gehele veengebied
onbewoonbaar is geworden na ca. 300 na Chr. Wij vinden namelijk in het
onderzochte terrein een deklaag van uitgesproken veenklei, van een gebied
vanaf de Oude Rijn naar het noorden uitwiggend tegen bosvenen. (B122) (V)
Omstreeks het jaar 350 verlegde Sint Servatius, bisschop van Tongeren
(België) zijn zetel naar Maastricht, waarmee het zuiden zijn eerste bis-
schop kreeg. (B105) (K).
Een legende zegt dat Sint Servatius bisschop van Tongeren uit Tongeren
weggejaagd werd en omstreeks het jaar 370 naar Maastricht vluchtte en
daar zijn zetel vestigde. (B105) (K).
400-500
De Merovingse koningen (Merovech overl. in 456 t/m Chlodovech II t/m 657
kenden voornamelijk twee belastingen: hoofdgeld (voor hen die geen grond-
belasting betaalden) en grondbelasting (de gebruiker van de grond betaal-
de). (B121)
481. Childerik, koning der Salische Franken sterft te Doornik. (B136).
Middeleeuwen ca. 450 na Chr. - 1500 na Chr.
De bewoning in het westen van ons land was in de vroege middeleeuwen
vrijwel geheel bepaald door de bodemgesteldheid. Bewoning treffen we aan
op de zand- en geestgronden, de rivierklei en op enkele eilandjes in het
veen liggende oude klei. Deze laatste bewoning, op kleieilandjes, kwam
voor in het gebied ten zuiden van Zoetermeer in Pijnacker en Berkel. (de
Kleihoogt). (B127) (V).
Een merkwaardige middeleeuwse ziekte was de Sint-Vitus-dans (chorea
maier), lijders aan deze ziekte werden gegrepen door danswoede. Zij tol-
den rond in adamskostuum, opgetuigd met bloemen tot ze erbij neervielen.
(B104).
In de middeleeuwen was het vrouwenoverschot blijvend groot. (B93).
In de middeleeuwen dienden meisjes zich op hun 8e jaar te verloven zodat
ze op 13 jarige leeftijd konden worden uitgehuwlijkt. (B93).
In de middeleeuwen waren er ontelbare buitenechtelijke kinderen. (B93).
De heraldiek was een schepping van de ridderlijke middeleeuwen. De rid-
derlijke wereld was ontstaan doordat in de middeleeuwen, onder invloed
van het leenstelsel een geheel nieuwe stand geboren was. Door het geven
van lenen aan zogenaamde ministrialen kwamen deze vrijwel op één lijn te
staan met de oude, vrije adel.
Ridders waren zwaargewapende en geharnaste ruiters, die de kracht van het
middeleeuwse leger vormden. Dienaren van lager geboorte, die zich als
krijgslieden onderscheidden, konden ook in die groep worden opgenomen en
kregen daardoor voet in de adelstand. De Amstels, Egmonds, Wassenaars,
enz. zijn als verdienstelijke "ministerialen" (d.i. dienaren) omhoog ge-
komen. (B144).
20 nakomelingen in één verbintenis (gedurende de middeleeuwen) waren geen
zeldzaamheid, hoewel de meeste baby's vrij spoedig na hun geboorte stier-
ven. (B93).
In de middeleeuwen vond men veel concubines bij zowel hoog als laag; de
kinderen verwekt bij de concubine - de z.g. bastaarden - werden binnen de
familie als normale kinderen aanvaard. (B93).
In de middeleeuwen bestond voor een groot deel van het gewone volk de
huwlijksdwang, lijfeigenen werden verplicht te trouwen voor een bepaalde
leeftijd, zodat ze ruime aantallen nieuwe lijfeigenen konden voortbren-
gen. (B93).
Middeleeuwse reizigers legden ca. 5 km per uur af zowel te voet als op
een door een paard voortgetrokken wagen, per dag dus hoogstens 30 tot 50
km. (B93).
De Tempel, verwijst naar het latijnse templa; een balk (schoor) die dient
om een sluisdeur open te houden, zodat het water door kan stromen. De
naam werd in de middeleeuwen ook gegeven aan een plaats waar water in- en
uitgelaten werd. (B99).
In de middeleeuwen was de muntslag één van de rechten van de vorst. Voor
de Nederlanden waren dat in de late middeleeuwen de Duitse Keizer en de
Koning van Frankrijk. (B142).
600-700
In de 7de eeuw werd het Maasmondgebied opnieuw vrij dicht bewoond. De ar-
cheologen beschouwen het als een kerngewest. Met deze naam worden streken
aangeduid met een zekere oudheidkundig aantoonbare bewonersconcentratie.
(B158).
De verhoging of terp waarop de kerk (in Berkel) staat, moet rond 600 zijn
opgeworpen als vluchtgebied voor de toenmalige bewoners in verband met de
hoge waterstanden. (B07). (lokatie is de plaats waar nu (1998) de N.H.-
kerk staat). (K).
600-700. Frankische missionarissen in de zuidelijke Nederlanden, o.a.
Eligius en Amandus. (B136) (K).
629-639. Dagobert weer koning van het gehele Frankische rijk. Hij sticht
een kerkje te Utrecht, dat onderhorig wordt aan het aardsbisdom Keulen.
(B136) (K).
Kerkgeschiedenis (630 - ca. 1000)
Onder koning Dagobert I hebben de eerste botsingen tussen Franken en
Friezen plaats. Koning Dagobert verslaat de Friezen in 630 en laat in dat
jaar het eerste Christenkerkje in onze noordelijke Nederlanden bouwen.
Het is de Sint Thomaskapel. Vijftig jaar later (ca 680) ontstaat er in
het Frankische rijk een geweldige strijd om de opvolging. Daarvan maakt
de Friese hertog Radboud gebruik; hij verovert het aan koning Dagobert
verloren gebied, dringt ook Utrecht binnen en vernielt daar de eerste
Christenkapel. In 690 landt Willebrord met zijn gezellen aan onze kust,
zij varen de Rijn op en bij Utrecht aangekomen wacht hen een bittere te-
leurstelling! Radboud regeert, alle sporen van Cristendom zijn verdwenen
en geen vrijheid om te preken. Hij werkt hoofdzakelijk in het zuiden van
ons land. In 695 wordt Willebrord door paus Sergius tot aardsbisschop der
Friezen gewijd. Radboud was inmiddels verslagen zodat Willebrordus zich
nu onbevreesd naar Utrecht kon begeven. Er wordt een kerk gebouwd, de
Sint Salvatorkerk en naast de kerk een klooster. Later bouwde hij ook nog
de Sint Martinuskapel, de hofkapel die later uitgroeide tot de machtige
Domkerk. Eveneens bouwde hij bij Heilo het eerste christenkerkje in West-
Friesland. Als omstreeks 719 Radboud sterft staat niets de prediking van
het evangelie meer in de weg. Willebrord stierf uiteindelijk in 739 te
Echternach. Onder de priesters die enkele jaren na Willebrord vanuit
Engeland naar ons land kwamen en onder de Friezen het evangelie predikten
hoorde ook de Heilige Adalbert; hij bouwde het kerkje waar nu Egmond
ligt. Het kerkje werd tijdens Adalberts afwezigheid door Radboud ver-
woest. Na de nederlaag van Radboud wordt het kerkje weer opgebouwd. In
740 stierf St. Adalbert. Een derde prediker (uit Frankrijk) was de
H. Wulfraam die predikte in Medemblik onder de Friezen, hier stond ook
het paleis van koning Radboud. Een vierde prediker onder de Friezen was
de H. Bonefatius (uit Duitsland), hij werd ca. 755 vermoord op de plaats
waar nu Dokkum ligt. De Noormannen verwoesten het door Adalbert gebouwde
kerkje in Egmond en na de herbouw verwoesten zij het kerkje opnieuw.
Graaf Dirk I liet op een kwartier afstand van het kerkje een houten
klooster bouwen in het dorp Hallem, het tegenwoordige Egmond-binnen. Dirk
II bouwde de St. Adalbertabdij in steen als vervanging voor het houten
klooster. Deze abdij werd in de loop der eeuwen begunstigd/overladen met
geschenken. (B105) (K) (N).
Kerkgeschiedenis
Als kerken uit de Sint-Willibrords tijd worden uit schriftelijke overle-
veringen vermeld: Marsum (Vlaardingen?), Vlaardingen, Oegstgeest en de
kapellen: Hargen (Ketel) bij Schoorl, Overschie, Rijnsburg, Warmond, Lei-
muiden en kort erop worden andere genoemd waarvan sommige zeker tot
Willibrordus zullen teruggaan: Ouderkerk, Lekkerkerk, Krimpen in de Krim-
penerwaard, Monster, Valkenburg bij Leiden. De gebouwen waren van van
hoogst eenvoudige constructie. Het rechthoekige gebouw, soms met een
versmald en rechtgesloten koor verlengd, was zeer klein. 5, 6, 7 of 8 me-
ter breed en 10, 11, 12, 16 meter lang. Met de uitbouw van het koor werd
de lengte dan 5 tot 6 meter langer. De meeste van deze kerkjes waren van
hout, staande op stenen fundamenten, vaak van veldkeien gevormd. Het was
niet al te kostbaar om de kleine houten kerken en kapellen te bouwen,
daartoe waren rijkere grondbezitters allicht toe in staat. Zij hebben dan
ook gewoonlijk zulke kerken gebouwd: voor hun eigen gebruik, voornamelijk
voor hun horigen en omwonende vrijen. (B125). (K).
Hoornaar, N.H. kerk gebouwd in 642, door de Noormannen verwoest en in 694
herbouwd. (Vroege missie van de Noormannen?, gewoonlijk invallen in
Nederland tussen 800 en 1000). (B113). (K) (N).
687. Slag bij Tetry. Pippijn II hofmeier van het gehele rijk. (B136).
689. De Friese koning Radbod verslagen bij Dorestad. (B136).
689. Dorestad muntrecht van Pippijn ontvangen. (B144).
690-739. Prediking van Willebrord in de Nederlanden. (B136) (K).
695 Willebrord aangesteld tot aartsbisschop der Friezen. (B136) (K).
Naast de kerken te Vlaardingen en Velzen die hem geschonken zijn, sticht
Willebrord nog kerkjes in Oegstgeest, Velzen, Petten en Heilo. De kerk en
een stuk moeras kreeg Willebrord van de geestelijke Heribald. (ca. 695?).
(B117). (K).
Tijdens Willebrords verblijf in Rome stak er een noordwester storm op,
waardoor alle bomen 'van dat wilde wout sonder ghenaden' in het Oost-
frankische Rijk 'dat nu Hollant heet' werden geveld. Deze gebeurtenis
staat ook bekend als 'de grote boomstorting'. Of het in 700, 840, 860 of
1170 gebeurde (de grote boomstorting) blijft de vraag. (B22). (K).
700-800
Oudste scholen
Bij de oudste en voornaamste kerken moeten de oudste scholen gezocht wor-
den. Globaal in 8e eeuw. Dit waren scholen voor geestelijken/aankomende
geestelijken. Omstreeks 1200 waren er parochiescholen in Hallum en Farm-
sum. Op dorpen heten oude gebouwtjes waarin vroeger school werd gehouden
soms nog kosterij. (Koster en schoolmeester waren synoniem geworden).
(B125). (K).
St. Maartensrecht was mogelijk reeds in de 8e eeuw aan de Dom van Utrecht
geschonken. (B39). (K).
In de 8e eeuw, in de Frankische tijd zijn er vermoedelijk al dijkjes ge-
weest in het rivierengebied van Nederland. (B27).
Vlaardingen is een zeer oude plaats, vermoedelijk stichtte Willibrord
hier kort na 700 een kerk. (B01). (K).
Ca. 700. Dood van Lambertus, bisschop van Maastricht te Luik. (B136) (K).
Pippijn of Pepijn van Herstal, overleden 714. (B144).
714-719. Verwarring na de dood van Pippijn II. Veroveringen van Radbod.
(B136).
714-741 Karel Martel, een buitenechelijke zoon van Pippijn II, verovert
de positie van majordomus en na strijd met Neustrië en Aquitanië hersteld
hij het rijk. (B143).
Na de dood van zijn vader in 714 maakte Karel Martel (d.i. hamer) zich
van het gezag meester. (B144).
In de tijd van Karel Martel (in 717 bij de dood van zijn vader 25 jaar
oud) werden op grote schaal aanvallen gedaan op de bezittingen (lande-
rijen) van de kerk, deze werden door hem geconfisqueerd en gegeven aan
machtige vazallen. De kerk werd daarmee van haar inkomsten beroofd zodat
haar taken van armenzorg, ziekenverpleging en eredienst gevaar begonnen
te lopen. Pippijn de Korte (koning der Franken 754-768) zag in dat daar-
mee indirect de staat werd ondermijnd. Teruggeven van de bezittingen aan
de kerk was ondenkbaar, het volgende werd bedacht: de geconfisqueerde
kerkelijke bezittingen werden door de vazallen aan de koning teruggegeven
en onmiddelijk daarna weer door hem aan hen teruggeleend, waarbij de va-
zal een tiende van de opbrengst moest afstaan aan de oorspronkelijke ei-
genaar. Hiermee waren de kerkelijke tienden geboren, maar had ook het
leenstelsel zijn intrede gedaan. (B121) (K).
Karel Martel 717, 741 (invoering leenstelsel). De koning trad op als
leenheer, de leenmannen moesten verplicht mede ten strijde trekken met de
hoorigen.
Om de Moren af te wijzen moet Karel Martel een maatregel hebben genomen
die verstrekkende gevolgen had. Voor de strijd was ruiterij nodig, maar
het geld om ze te bekostigen was schaars. Hij onderving dit door de rui-
ters land in vruchtgebruik te geven, welk land hij voor een deel ontnam
van de kerk, die door schenkingen der gelovigen een uitgestrekt grondbe-
zit had verworven. Asl vergoeding kreeg de kerk het recht om op zulke
gronden tienden te heffen. Karel Martel versloeg de opdringerige Islam
bij Poitiers in 732. (B144) (K).
734. De Friezen verslagen bij Boorne. (B136).
Na Karel Martels dood in 741 ging de macht over op zijn zoon Pippijn, ge-
naamde de Jonge. (B144)
741-751. Pippijn III hofmeier. (B136).
In 751 liet Pippijn de Jonge de laatste onbeduidende naamkoning met goed-
keuring van de aanzienlijken, in een klooster plaatsen en liet zich als
soeverein erkennen. De kerk bevestigde dit doordat Bonifatius, op gezag
van de paus hem zalfde met gewijde olie. De paus herhaalde dit later nog
eens, waarbij hij hen, die iemand tot koning zouden verkiezen, die niet
tot Pippijns stamhuis behoorde, met uitstoting uit de kerk bedreigde.
Deze welwillendheid van de paus sproot voort uit de hulp, die Pippijn de
paus aanbod tegen de Longobarden, die het de paus lastig maakten. De
Longbarden werden verslagen en de paus ontving het gebied om Rome, waar-
door deze wereldlijk heerser werd in een zelfstandig gebied. (B144) (K).
751-768. Pippijn III koning. (B136) (B143).
Toen Pippijn in 768 stierf liet hij twee zoons na, doch reeds in 771 werd
de jongste, Karel, door de dood van zijn broer de onbetwiste alleenheer-
ser. (B144).
Karel de Groote (in 800 Keizer), regeerde van 768 - 814. Hij stelde
rijkswetten vast, de capitularia. Het rijk was verdeeld in gouwen. Aan
het hoofd kwamen ambtenaren te staan, de gouwgraven. Zij zorgden voor: 1)
de rechtspraak in de gouw, 2) het innen van de belastingen en 3) het op-
roepen van de heerban de lichting uit de gouw. Het bestuur van de gouw-
graven werd gecontroleerd door keizerlijke inspecteurs, de zendgraven,
zij brachten verlag uit aan de keizer. De gouwen in Holland waren:
Maselant = Maasland, Rinlant = Rijnland en Kinhen = Kennemerland. Om-
streeks 800 is in Noord-Nederland de kerkelijke indeling ingevoerd die
tot 1559 van kracht is gebleven. Keulen werd daarbij aartsbisdom en
Utrecht werd daaraan onderhoorig als suffragaan bisdom, dat zich uit-
strekte over bijna heel ons land ten noorden van de Maas. (K).
Karel de Grote regeerde van 768-814. Hij regeerde met hulp van het hof
(comitatus). Naast de oude Merovingsche hofbeambten komen de paltsgraaf
voor de rechtsbedeling en de kanselier (ontwikkelde clericus) als hoofd
van de kanselarij; de kanselier is tevens kapelaan voor geestelijke aan-
legenheden. Meervoudige bekleding van alle ambten. De controle op de gra-
ven en op het gehele bestuur (ook van de bisschoppen ) wordt uitgeoefend
door de koningsboden (missi dominici). Voor de militaire bescherming van
de rijksgrenzen worden marken gevormd onder markgraven met speciale vol-
machten. Uitbreiding van het aantal graafschappen. Naast de graven staan
de immuniteitsheren. (B143) (K).
Karel de Grote 768-814 ondernam 52 veldtochten en vergrootte zijn rijk
tot over de Alpen en Pyreneeën. (B144).
Eind 8e eeuw kwam Karel de Grote aan de macht. Toen brak de z.g.
Karolingsche tijd aan. Mensen vestigden zich bij Vlaardingen en Delft en
op de oude strandwallen, rond de mond van grote rivieren en op de Rijnoe-
vers. Willebrord schonk een stuk moeras aan het volk. Later werd daar de
"Hof van Vlaardingen" gebouwd, naast enkele boerderijen en een kerkje.
(B164)
777-866 Lijst van de goederen en hoorigen der St. Maartenskerk te Trecht:
Rufinghem = Ruiven onder Pijnacker en Legihem = de polder Leyens bij
Zoetermeer. Oorkonde no. 49. (B78). (K).
Lijst van goederen en horigen der St. Maartenskerk te Utrecht (777-866).
Rufinghem (of dit Ruiven onder Pijnacker is valt te betwijfelen omdat in
de middeleeuwen Ruiven onder Pijnanacker Ruvene of Ruveen heette en nie-
mand zal toch willen beweren dat deze laatst naam etymologisch zonder
enige moeite te verklaren en volkomen in overeenstemming met de gesteld-
heid van de bodem daar ter plaatse een verbastering van Rufinghem kan
zijn. (B152) (K).
785. Onderwerping van de Saksische hertog Widukind aan Karel de Grote.
Daarmee zijn alle Nederlandse gebieden onder diens gezag. (B136).
Ca. 790. In deze tijd was de Penning 1,71 gr zilver en de 1/2 Penning of
Obol de helft van dat gewicht in zilver, een Schelling was 12 Penningen
en een Pond 240 penningen. (B24).
Al spoedig onderwierp Karel de Grote de Friezen, wier laatste verzet ein-
digde in 790. (B144).
In 794 voerde Karel de Grote de zilveren Karolingse penning in in zijn
gehele rijk. (B142). De zilveren denarius of penning van Karel de Grote
werd o.a. te Dorestad (Wijk bij Duurstede) geslagen na 793. (B142).
Vondsten: Monster laat 8e eeuw of vroeg 9e eeuw "beslag" (B135).
Vondsten: Wateringen tusen de 8e en de 10e eeuw "munt en aardewerk"
(B135)
Vondsten: Naaldwijk 8e eeuw en later "grafveld, aardewerk en bewonersspo-
ren. (B135).
800-900
Na de 8e eeuw heeft het leenstelsel (feodum) zich als een olievlek
over geheel West-Europa verbreid. Daarvoor was eigen bezit meer gebruike-
lijk. (B121).
25 december 800, Keizerkroning van Karel de Grote. (B143)
Aantal inwoners Nederland in de 9e eeuw ca. 500.000 (B15).
800-1000. Invallen Noormannen in de Nederlanden. (B143).
Ca. 800. Liduger, een Fries van afkomst, predikt in de Groninger gouwen.
Later wordt hij bisschop van Munster. (B136) (K).
Op de hoge kleiruggen in Pijnacker hebben zich de eerste bewoners waar-
schijnlijk tussen het jaar 800 en 1000 gevestigd. (B109).
In Vlaanderen (uit de tijd der Karolingers ca. 800) is de gouw Rodanensis
(Aardenburg) bekend, meer noordelijk Marsum (later Masalant) (Maasmon-
ding), circa oras Rheni (Rijnland), Niftarlake (rond Utrecht), Theanti
(Drenthe). (B114).
810. Begin van de Noormannentochten naar de Nederlanden. (B136).
Onder de streken die in het bezit waren van de Noormannen, aktief tussen
810 en 1007 vielen ook het latere Delfland, Schieland en Maasland. (N).
28 januari 814. Karel de Grote sterft in Aken en wordt bijgezet in Mun-
ster. (B143).
814-840. Lodewijk de Vrome. (B136).
834-837. Plundering van Dorrestad. (B136).
Giselbrecht (840-841) wordt vermeld als graaf in het Maasgebied, mis-
schien Masau. (B114).
841. Harold en Rorik krijgen lenen in de Nederlanden. (B136).
843. Verdelingsverdrag van Verdun. De Nederlanden bij het Middenrijk, be-
halve het gebied ten westen van de Schelde. (B136).
855. De Nederlanden een deel van Lotharingen, het gebied van Lotharius II
(B136).
866. In Hollum op Ameland klooster bebouwd. (abdij Bethanië). (B118) (K)
869. Lotharius II sterft zonder wettige nakomelingen. (B136).
870. Verdrag van Meersen. De Nederlanden verdeeld tussen Oost- en West-
Francië. (B136).
879-883. Grote Noormanneninval. (B136).
880. Verdrag van Ribémont. Lotharingen geheel bij Oost-Francië. (B136).
882-885. Heerschappij van Godfried de Zeekoning, die vermoord wordt door
Gerulf en andere graven. (B136).
888-893. Arnulf (van Gent) graaf van Holland. (B136).
889. Arnulf van Oost-Francië schenkt Gerulf enkele goederen gelegen bin-
nen zijn graafschap in het westelijk kustgebied. (B136).
895-900. Zwenibold, koning van Lotharingen. (B136).
De stichting van de kapel te Schie is op kerkgeschiedkundige gronden te
stellen op het einde van de 9e eeuw. (J.A.A. Rogier). (B69). (K).
900-1000
De plaatsnaam Sassenheim zou te vertalen zijn als "huis der Saksen". In
de 10e eeuw zou het zijn ontstaan, doordat een groep Saksen zich hier
verzamelde voor de oversteek naar Engeland. (B165).
Waarschijnlijk reeds in de 10e eeuw was in Friesland de ontdekking gedaan
dat de laagveenmoerassen, die in hun natuurlijke toestand slechts door
enkele jagers en vogelaars bezocht werden, tot uitstekende weiden gemaakt
konden worden door op korte afstand evenwijdige sloten te graven, die
haaks uitmonden op een natuurlijke waterloop of gegraven wetering. (B136)
Vroegst bekende vermelding van Overschie (Schie) en Hillegerberg (Bergan)
900. (B05, blz 13). Van de gebieden van Schie uit, waar de ontginning
reeds in de eerste helft van de 10e eeuw was tot stand gekomen. (B13)
(O).
In de eerste helft van de 10e eeuw begon vanuit Schie de ontginning van
het woeste veen langs De Leede en de Stricleede. (B99) (O) (V).
Overschie is een wegdorp, in de 10e eeuw ontstaan aan de buitenzijde van
een bocht in de Schie. Zie ook bij het jaar 900. (Schie - Ouwerschie -
Overschie - Oude Scye - Scye). (B01).
In de 10e eeuw lag volgens de laatste onderzoekingen Overschie geheel om-
ringd door veenpoelen en plassen, terwijl in het zuiden de Maas toen
Merwede geheten voorbij stroomde. (B69) (V).
In Kennemerland in West-Friesland hebben de bewoners tussen 900 en 950
een systeem van dijken aangelegd. (B118).
911. Karolingen in Duitsland uitgestorven. De Lotharingse hoge heren er-
kennen nu grotendeels de West-Frankische koning. (B136).
Aan de hand van een geheimschrift van Pieter Luijtensz., eerst klerk en
later gemeentesecretaris van Berkel en Rodenrijs (tweede helft 16e en be-
gin 17e eeuw) kon met moeite worden ontcijferd en aan de feiten worden
getoetst dat Berkel en Rodenrijs tussen 911 en 991 als zelfstandig
ambacht is ontstaan. Overschie, eertijds Ouwerschie en nog vroeger met
Oude Scye aangeduid, is de benaming voor wat in de vroegste tijden Roden-
rijs moet zijn geweest. "Rodenrijs" was een algemene benaming voor een
streek die in cultuur gebracht moest worden. Rodenrijs was een wandelende
gemeenschap d.w.z. dat het zich in de loop der eeuwen steeds heeft ver-
plaatst. Er zijn meerdere gebieden geweest met de naam Rodenrijs. (B07).
In het Zuidelijk gedeelte moest meer rijs of ris uitgeroeid, gerooid
worden; vandaar de naam Rodenrijs. In het Noordelijk gedeelte meer
berkenhout; vandaar de naam Berkel, mogelijk afkomstig van berkelo, d.i.
berkenbos. (B13). Rodenrijs = ontwatering, droogmaking, een rode of roede
was een stuk veen- en/of bosgrond dat van het opgaand houtgewas was ont-
daan, terwijl het werkwoord risen of rijzen nu nog wordt gebruikt in de
papierfabrikage voor het procedé om papier te ontvochten, het watervrij
maken van papier. Alle woorden en namen met rijs duiden op droogmakings-
werkzaamheden o.a. Rijsoord, Rijswijk, Rijsdijk, Rijskade en Rodenrijs.
Rode vindt men ook in Bredenrode, Berkenrode, Nijenrode enz. (B07).
De uitgang lo betekent hoge bosstreek. We vinden die mogelijk in Berkel
dat uit Berkelo gevormd kan zijn. De veronderstelling is gewettigd dat
Berkel inderdaad hoog gelegen was. (Lo betekent soms ook plas, stilstaand
water of moeras). Mij dunkt, dat verspreid hoger gelegen gebieden in de
wildernis voorkwamen. Naast de naam van Berkel kan die van Hogeveen (bij
Nootdorp) hierop wijzen. (B34).
Toen een gedeelte van rijksweg 13 bij Overschie werd aangelegd is men op
de fundamenten van dat kasteel gestuit. (Hofstad of kasteel Rodenrijs).
(B13) (V).
918-965. Arnulf de Grote van Vlaanderen. (B136).
918-975. Balderik, bisschop van Utrecht. (B136).
Opkomst van het graafschap Holland. Omstreeks 920 zijn er vier machten in
de lage landen die hun stempel het sterkst op de ontwikkeling drukken: 1)
Het bisdom Utrecht waar de jeugdige bisschop Balderik zijn entree doet.;
2) Kennemerland! Deze machtskern komt tot ontplooing in een uithoek van
het hertogdom Lotharingen.; 3) "Graaf in Friesland", zo luidt de titel
van graaf Gerulf, die vrijwel onbereikbaar achter het moerassenland zijn
gang kon gaan. De uitgestrekte bossen in zijn graafschap, hout- of holt-
land, zullen anderhalve eeuw later de naam Holland opleveren.; 4) Het
graafschap Vlaanderen onder Boudewijn II. (B108). (K).
922. Karel de Eenvoudige van West-Francië schenkt Dirk I van Holland wat
land in zijn graafschap. (B136).
922. Dirk I, prefect van de kuststreek, zoon van Gerulf ontmoet de West-
frankische koning Karel de Eenvoudige (tevens heerser over Lotharingen)
in Bladel en krijgt daar "De kerk van Egmond en al het land, dat er rech-
tens toebehoort met de hoeven en het dienstvolk enz. enz." van deze oor-
konde bestaat alleen nog een afschrift van 1172. Vermoedelijk had Dirk I
het gebied van Egmond dat toebehoorde aan het klooster te Echternach zich
reeds rustig toegeëigend en deze gebiedsuitbreiding door de zwakke koning
van het Westfrankische rijk (die niet eens zijn leenheer was!) laten wet-
tigen. (B108). (K).
De zoon van Gerulf, Dirk I, ontvangt van de Westfrankische koning Karel
de Onnozele goederen o.a. de kerk te Egmond met alles wat daar rechtens
toegehoord. (B144) (K).
15 juni 922. Koning Karel III schenkt, op voorspraak van graaf Hagano,
aan Dirk I de kerk van Egmond met alle toebehoren van Swithardeshage tot
Fortrapa en Kinnem. (B46). (K).
Omstreeks 922 verrees de eerste kapel in het Rodenrijs. Behalve de kapel
te Overschie heeft Rodenrijs van oudsher nooit een andere kerk bezeten
(Zie ook bij het jaar 1083). (B07). (In het Rodenrijs = in het
ontginningsgebied Rodenrijs = in Overschie?). (K) (O).
HET ONTSTAAN VAN DE NEDERLANDSE LEENSTAATJES, GESCHIEDENIS HOLLAND.
De oorsprong van het graafschap Holland ligt bij de Vikinghoofdman:
Godfried. Keizer Lotharius had hem aangesteld, om de kuststreken tegen
zijn stamgenoten te verdedigen. In 922 had Dirk I, zoon van een onderge-
schikte van Godfried de Noorman, Kennemerland en Rijnland in leen, o.a.,
de kerk en de kerkelijke goederen van Egmond. Onder zijn zoon Dirk II
kwamen daar nog de streken in Maasland en West-Friesland bij, o.a. Medem-
blik en Texel. Dirk III was al zo machtig, dat hij tol hief van de sche-
pen, die de Maas opvoeren; toen de kooplieden hierover klaagden bij de
keizer en toen deze zijn leger zond onder hertog Godfried van Lotharingen
en bisschop Adelbold van Utrecht, versloeg Dirk III dit leger bij Vlaar-
dingen in 1018. In 1064 gaf keizer Hendrik IV, Holland in leen aan bis-
schop Willem van Utrecht. Graaf Dirk V was minderjarig, maar zijn stief-
vader Robert de Fries vocht tegen bisschop Willem en tegen de hertog van
Lotharingen: Godfried met de Bult. Tenslotte slaagde Dirk V (1091-1122)
erin zijn gebied te behouden. (B95). (K) (N).
Sinds de tijd, dat Holland bijna ten onder was gegaaan, was dit graaf-
schap klein en onbelangrijk; het bestond voor een groter deel uit water
dan uit zand en de Kennemerboeren en de West-Friezen gehoorzaamden nauwe-
lijks aan de graven die beurtelings Floris en Dirk heetten. Ook hadden de
Hollandse graven het aan de stok met Vlaanderen over het bezit van Zee-
land-bewester-Schelde. De Hollandse graaf Willem II (1234-1256. geb.
1226) werd Rooms koning in plaats van Frederik II van Hohenstaafen, maar
hij is nooit algemeen erkend geweest en heeft het nooit tot het keizer-
schap gebracht. Hij heeft een stenen jachtslot laten bouwen in 's Graven-
hage (nu de Ridderzaal). Hij sneuvelde in 1256 tegen de West-Friezen bij
Hoogwoud. Zijn zoon en opvolger Floris V (1256-1296, geb. 1254) stond
aanvankelijk onder regentschap van zijn oom Floris de Voogd en daarna van
zijn tante Aleidis, deze heeft veel gedaan voor de opkomst van Schiedam
en Rotterdam (bedijking en inpoldering). Floris V ondernam een veldtocht
tegen de West-Friezen, hij wist ze te onderwerpen. Floris V werd in 1296
vermoord. Opvolger van Floris V was zijn 16 jarige zoon Jan I (1296-
1299). De oude vijanden, West-Friezen, Vlamingen en de bisschop van
Utrecht staken de kop weer op, zij werden bedwongen door de Zeeuwse edel-
man Wolfert van Borselen, die de jonge graaf Jan I geheel in zijn macht
hield. Met graaf Jan I stierf het Hollandse huis (922-1299) uit. De naas-
te erfgenaam was Jan van Avenes, graaf van Henegouwen; voortaan zouden
Holland, Zeeland en Henegouwen dus onder één graaf staan. Willem III (de
Goede) volgde Jan van Avenes op en na Willem III (de Goede) werd de Hene-
gouwse graaf Willem IV graaf, deze werd opgevolgd door zijn zuster Marga-
retha (gehuwd met Lodewijk van Beieren), hun zoon Willem V, de Verbeider
(1345-1358) zou na de dood van zijn moeder Margaretha, graaf van Holland,
Zeeland en Henegouwen worden ook nam hij voor haar waar bij haar afwezig-
heid. Gravin Margaretha en haar zoon Willem V, de Verbeider hadden on-
enigheid over het bestuur. Achter Willem stonden de kabeljouwen en achter
de gravin de meeste edelen, de Hoeken welke voor handhaving van de feoda-
le toestand waren. (B95).
In de tijd dat de Duitse keizers hier het gezag uitoefenden - van 925 tot
het midden van de 13e eeuw, formeel zelfs tot veel later datum, maar dat
was een wassen neus - benoemde de keizer de graven en bisschoppen. (B104)
(K).
Omstreeks 925 stichtte Dirk I, de heerser van het westelijk kustland, een
klooster voor zusters te Egmond. Dirk I die in 922 Egmond van Karel de
Eenvoudige van Frankrijk had ontvangen plaatste dit klooster op zijn ei-
gen gebied. Hij werd dus de 'heer' van het klooster, dat zijn eigenkloos-
ter werd. Het was een eigenklooster van de graven uit het westelijk kust-
land, later Holland genaamd. Zij droegen dit klooster niet op aan de ko-
ning, noch stelden zij het onder 's konings bescherming. Zij oefenden
zelf de voogdij uit, of lieten dit door een onder-voogd doen (door de he-
ren van Egmond). Welliswaar droeg graaf Dirk IV de abdij over aan de hei-
lige stoel, maar dit bracht de grafelijke rechten op de abdij niet in ge-
vaar. (B125). (K).
Overschie bestond in 1929 1000 jaar, geboortejaar van Overschie is dus
929. (B69). Overschie, Ouweschye, Schie, Sche.
Ca. 930 eerste bewoning Overschie. (B132).
944. Wegens zijn trouw in de opstand van de Lotharingse heren krijgt bis-
schop Balderik van Utrecht, goederen in de gouw lake et Isla, die toebe-
hoord hadden aan Radbod en Waldger, een broer van Dirk I van Holland.
(B136) (K).
Van de gebieden van Schie uit, waar de ontginning reeds in de eerste
helft van de 10e eeuw was tot stand gekomen, werd de cultivering geleide-
lijk voortgezet door inpoldering van het veengebied, hetwelk zijn natuur-
lijke grens vond aan de Lede (Oude Lede) en de Stricklede. (B13) (O) (V).
In de tweede helft van de 10e eeuw reisde een Moors gezant van de Maas-
mond naar Utrecht. 's Zomers als de wateren opgedroogd zijn, op hun wei-
den gaan en daar het leem met bijlen in tegelvorm afsnijden. (B34) (V).
De abdij van Egmond ca. 950 gesticht door Dirk II en zijn gemalin
Hildgardis. Dirk II bezat ook goederen in Vlaanderen bij Gent b.v. het
land van Waes, hij werd zelfs meerdere malen graaf van Gent genoemd. De
goederen werden omschreven als "uitgebreide persoonlijke goederen" (B148)
(K).
Het geslacht van Ricfried in de Betuwe, waartoe Erenfried (overl. 960),
broer van bisschop Balderik en zijn neef en erfgenaam Ansfried behoorden.
Deze familie bezat de graafschappen Hattuaria, de Betuwe, Teisterbant,
Toxandrië en die in de Maasgauw, noordelijk Maasland en West-Friesland,
doch zij stierf uit of werd overvleugeld door de graaf van Leuven. Het
geslacht Ricfried beschikte niet over kloostergoederen. (B114). (K).
Het jaar 963 wordt aangehouden als het geboortejaar van Berkel en Roden-
rijs. (B07).
In Nederland is de oudste vermelding van een door waterkracht aangedreven
molen van het jaar 970. (Waterradmolen) (M).
In 973 werd er al veen gestoken in de omgeving van de stad Utrecht. (B20)
(V).
976-990. Folcmarus (Poppo) bisschop van Utrecht. (B136) (K).
DE ONTGINNING VAN DE PAROCHIE SCHIE.
De middeleeuwse openlegging door ontginning van het veengebied, waarin
ook de parochie Scie ligt, vangt waarschijnlijk aan in het laatste kwart
van de tiende eeuw met als oudste centrum Vlaardingen. Reeds in het begin
van de achtste eeuw schenkt een zekere Heribald aan Willebrord een kerk
met de tiendrechten in dit gebied, maar na stijging van de zeespiegel in
de negende eeuw is door wateroverlast het land zover ontvolkt, dat pas in
985 het als keizerlijk domein opnieuw wordt uitgegeven aan de graven van
het latere Hollandse huis en omstreeks 1040 zijn in het achterland van
Vlaardingen twee kleine bevolkingskernen ontstaan met elk een kapel, re-
sorterende onder de kerk van Vlaardingen, n.l. Hargan, nu Kethel, aan de
bovenloop van een ten dele verland riviertje de Harg, en Skie op de zware
kleirug, afgezet door een grote, eveneens ten dele verlande kreek, de
Schie. Deze kleirug loopt vanaf het dorp Overschie langs de Rotterdamse
Rijweg en de oude Kleiweg, waar hij het karakter van rug verliest, maar
het laatste restje van de bovenloop van de kreek is zelfs nu nog tendele
aanwezig als een watertje, dat de grens vormt tussen de voormalige ge-
meenten Schiebroek en Hillegersberg en in de middeleeuwen tussen de paro-
chies Schie en Rotte. De ontginningen gaan aan weerskanten uit vanaf de
kleirug en staan ten naaste bij met hun percelen loodrecht op zijn slin-
gerend beloop. Deze percelen zijn niet diep, 500 tot hoogstens 700 meter
en soms nog minder. Gaan wij deze na van west naar oost: In de Galchhoeck
ligt het westelijk deel in oost-west gerichte kavels, in het oostelijk
deel zijn deze noord-zuid gericht. De boerderijen en de kerk liggen allen
op de oeverwal van de Schie. In de Kleinpolder ten oosten van de Rotter-
damse rijweg liggen de percelen weer oost-west, eindigende tegen een we-
tering. Het grootste deel van deze landerijen vormt een aaneengesloten
complex Van Rodenrijs-landen, n.l. Van Rodenrijs, Van den Veen en Van der
Spangen. Ook hier liggen de boerderijen op de kleirug o.a. Willems hof-
stad van den Vene ten zuiden van de kerk. Ten noorden van de Oude Kleiweg
eindigen de percelen ook tegen een wetering, de Elvezwet, en lopen noord-
zuid, wat ook het geval is ten zuiden van de weg, waar de wetering later
vergraven is tot een deel van de Rotterdamse Schie. Vooral in de hoek
tussen deze wetering en de weg ligt een complex Van der Spangen-landen,
waartegenover aan de noordzijde ook Van der Spangen-bezit. Aan de zuid-
zijde van de Rotterdamse rijweg liggen de percelen straalsgewijs, eindig-
ende tegen de Blijdorpse watering en twee sloten; een lopend naar de
Horenweg, de andere naar de Rotterdamse Schie. Dit gehele bovengenoemde
complex vormt de vroeg elfde eeuwse ontginning van Schie, waarvan een be-
langrijk deel in het bezit was van de Van Rodenrijs-groep blijkt te zijn.
De eerste uitbreiding van deze kern is in zuidelijke richting langs de
hoge noordelijke oever van het riviertje de Spangen, waarbij men de lange
percelen ten zuiden van de kerk tot dubbele diepte over de Horenweg ver-
lengde: de State ter Spanghen, en hierop aansluitend een tweede ongeveer
evengroot complex: de Bridorp Sate. Deze laatste bestaat uit enkele grote
percelen, strekkende van de Blijdorpse watering tot de Spangen zelf. De
eerste sate heeft kennelijk één groot landbouwbedrijf gevormd. Deze beide
grote "saten" zijn zo belangrijk geweest, dat zij naamgevend zijn gewor-
den voor grotere complexen, n.l. de Spaanse (= Spangense) polder en de
Blijdorpse (= Bridorpse) polder. Hierop aansluitend volgen naar het oos-
ten enkele grote regelmatige percelen, waarvan de laatsten in het noorden
de Rotterdamse Schie bereiken, waarlangs - en evenwijdig aan een kade
loopt, die grafelijk domein blijkt te zijn, de 's Gravenweg. Het eerste
perceel van dit complex is Van der Spangen c.s. bezit, zodat hier de fa-
milie een deel van de ontginning geclaimd heeft. Over het tijdstip van
deze laatste ontginning kunnen wij slechts gissen, maar deze zal vrijwel
gelijktijdig zijn met die van Zestienhoven in het noorden. Hier is n.l.
in eenmaal een concessie van 16 hoeven, elk groot 30 morgen in totaal dus
480 morgen uitgegeven. In tegenstelling tot de oudere ontginningen zijn
de percelen hier ongeveer 2250 meter diep; in het noorden eindigt deze
ontginning tegen een kade of een zijdwinde, die grafelijk bezit is en se-
dert de dertiende eeuw in leen wordt uitgegeven. In het oosten eindigen
zij eveneens tegen een ontginningskade, de landscheiding, die bescherming
biedt tegen het water van het nog onontgonnen Schiebroek; in het westen
wateren de percelen af op de (Delftse) Schie. De Van Rodenrijse's hebben
hier het deel dat het dichtst tegen de oudere ontginningen aansluit en
ongeveer 3 a 4 hoeven groot is. De ontginningen worden later voortgezet
met Schieveen en Ackersdijk en ook hier weer hetzelfde beeld. Weer is een
groot deel van het tegen de oudere ontginningen aansluitende land Van
Rodenrijs-bezit. Met het bereiken van de Oude Lede hebben de ontginners
de ontginningen bereikt, die in zuidelijke richting vanuit het Hof van
Delft plaats vinden en thans kunnen wij ons wagen aan een tijdsbepaling.
Het gebied ten noorden van de Oude Lede wordt door gravin Petronella,
overleden 1144, geschonken aan het door haar in 1133 gestichte klooster
te Rijnsburg, zodat vauit het noorden de Lede dus omstreeks 1135 is be-
reikt. Wouter, abt van Egmond (1130-1161), beschikt over de tienden van
Rodenrise en schenkt deze aan het hospitaal te Egmond, wat er dus op
wijst, dat de ontginning plaats heeft gehad. Wij mogen dan ook stellen,
dat deze in de eerste helft van de twaalde eeuw hebben plaatsgevonden en
inderdaad zien wij in 1156 voor het eerst een Van Rodenrijs optreden. In
het zuiden van de oudste ontginningen is inmiddels een zelfstandig com-
plex Matenesse ontstaan, maar sedert de tweede helft van de twaalfde eeuw
wordt het gebied hier bedreigd door het water, daar een nieuwe stijging
van de zeespiegel is begonnen. In Kethel worden in 1164 grote verwoestin-
gen aangericht en worden omstreeks 1170 dijken ter bescherming van het
land aangelegd, die door een dam in de Schie dicht bij de kerk van Over-
schie, aansluiten op de oude ontginningskaden op de oeverwal van de
Schie, die verhoogd worden tot waterkerende dijken. Ook langs de Spangen
komt er een dijk te liggen en als omstreeks 1200 het laatste meest ooste-
lijke deel van de Blijdorpse polder ontgonnen wordt in percelen van onge-
veer 1100 meter diepte, dient ook hier gelijktijdig een beschermende dijk
aangelegd te worden. En deze dijk draagt de naam van de ontginner, n.l.
Bokelsdijk; ook de tienden in dit deel van de Blijdorpse polder heten de
Bokeldijkse tienden en uit de oudste verhoefslaging van de later zeedijk
van Schieland blijkt, dat dit deel van de Blijdorpse polder oorspronke-
lijk Bokelsdijk heet. Het kan geen toeval zijn dat wij op 3 november 1200
voor het eerst een Theodericus Bokel ontmoeten. In het zuiden wordt ont-
ginnen bedijken en als eerste bedijking komt het poldertje de Zeventig
Morgen tot stand, door verbindingsdijken aan te brengen tussen die van
Matenesse enerzijds en die van Galchhoek en de Bridorpsate anderzijds.
Dit gebeurt voor de aanleg van de dam in de Schie te Schiedam en na de
bedijking van de Blijdorpse polder, dus tussen 1200 en 1245. De helft van
dit poldertje, liggende voor de Sate ter Spanghe en de Bridorpsate komt
in het bezit van de Van Matenesse-Van der Spangen-groep. Omstreeks deze
tijd moet de erfdochter van Dirc Bokel, heer van Matenesse, gehuwd zijn
met het hoofd van deze groep, zodat hier waarschijnlijk sprake geweest is
van een wel overwogen zakelijk huwlijk. De noordelijke dijk van dit pol-
dertje, die de zate ter Spanghe verbindt met Dirc Bokels hofstad uter
Nesse, komt op de zeventiende eeuwse kaarten voor als Vermaveldijk. In de
middeleeuwen kan een "V" zonder bezwaar de plaats van een "B" innemen en
met deze wetenschap wordt deze vreemde naam ons duidelijker n.l. ver
Mabelsdijk, dus de dijk van vrouwe Mabelie. Het is wel erg verleidelijk
in vrouwe Mabelie de erfdochter van heer Dirc Bokel te zien! Nu is het de
beurt aan de Bokels om het dijkfront naar het zuiden en westen op te
schuiven; de latere ambachten Bokelsdijk en Blommersdijk, tot stand geko-
men in het begin van de dertiende eeuw. Hierbij claimen de Van der
Spangens het land binnen deze bedijking gelegen voor de Bridorpsate en
zelfs buiten de nieuwe dijk tot aan de rivier. Inmiddels is in het noord-
oosten de onginning van het veengebied voortgegaan. Voor de landscheiding
van Ackersdijk-Schieveen ontstaat het ambachtje de Tempel en de Hof van
Rodenrijs, waarschijnlijk in de eerste helft van de dertiende eeuw en
kort hierna wordt ook het lage broekland achter Zestienhoven en Oudendijc
tot ontwikkeling gebracht. Ook hier treffen we 2000 meter diepe kavels
aan. (K) (L) (O) (V).
Graaf Arnulf (Arnoud), zoon van Dirk II, schonk tussen 980 en 993 de
kapel en tiendrecht te Schie aan de abdij van Egmond. (B13) (K).
Evangelie aantekeningen - giften graaf Arnulf: "Similiter Hargan et Sche
cum decimacione sua." (B146 ca. tussen jaren 980 en 993).
In een register van de abdij van Egmond staat dat graaf Arnoud (Arnulfus)
en zijn gemalin Lutgarda (Luitgard) aan de abdij o.a. de kapel te Schie
en het tiendrecht aldaar geschonken hebben. Arnoud (zoon van graaf Dirk
II de graaf van Holland) huwde in 980 met Luitgard en sneuvelde in 993
bij Winkel tegen de West-Friezen. M.i. is het zeker dat de allereerste
bewoning van Schie zal dateren van minstens 50 jaar voor deze schenking.
Overschie is overigens niet gesticht maar landzamerhand ontstaan. (B69).
(K).
Reeds in het jaar 985 was er al sprake van de Oude Leede en de Strik-
leede. (B04, pag. 101).
Op 2 september 1057 overleed abt Reinier de 4e abt van Egmond, van zijn
voorganger Bruno staat in de goederenlijst, in de tijd dat Bruno abt van
Egmond was aan het klooster geschonken goederen:"De tiende tusschen Delft
en Schieland, tot den waterloop Lede, en van de Lede tot de Striclede, en
van de Striclede tot aan't einde, een manfe, die jaarlijks zes deniers
opbrengt; noch ter zelver plaatze een vierendeel, dat jaarlyks vyftien
deniers opbrengt. (B151). [985 lijkt aannemelijk als jaartal in B04.] (K)
In 985 kreeg graaf Dirk II van de keizer alle goederen tussen IJssel en
Lier in bezit. (Facetten van Delft, G.D.B. - 12, div. , 1985).
985. Dirk II wordt graaf genoemd in Kennemerland, Tessel en Maasland.
(B136).
De kleitong Delft-Pijnacker was sinds 985 privé-eigendom van de graaf
(B137).
In 990 lag Overschie (Schie) aan het uiteinde van de Schie, op de plaats
waar de Schie de Maas bereikte. Overschie lag toen nog aan zee. (B05).
(Met zee zal hier wel de Merwede, later Maas bedoeld zijn.)
Ca. 993 vermelding "kapel te Sche" (B132). (K).
Graaf Diederik III (993-1039) die zijn graafschap uitbreide aan de
Merwede (Oude naam Maas), met Vlaardingen als operatiebasis, geholpen
door de abdij van Egmond en voor meer westelijke gebieden door de St.
Paulus-abdij te Utrecht. "De parochies van het oude decanaat Hollandia
behoorden alle aan deze abdijen. Het oude land dezer Schielandse paro-
chies is één gemeenschappelijke bedijking dier twee abdijen, welke de pa-
rochies Rotte, Bleiswijk en Zevenhuizen (van St. Paulus) en Schie (van
Egmond) omvatte" (B13). (K).
993-1039. Dirk III, graaf van Holland. (B136).
995-1010. Ansfried, bisschop van Utrecht. (B136) (K).
In het zuiden vormde Maasland, de omgeving van Vlaardingen en Maasland,
een gebied, dat reeds in de 10e eeuw bedijkt was. Ten westen daarvan ge-
scheiden door de rivier de Lier, lag een reeds vroeg omdijkt gebied rond
Naaldwijk. Ten oosten van Maasland liep de oudste waterkering ook vrij
wat verder binnenwaarts. Nadat vooral in het gebied waar de Schie en de
Rotte in de Nieuwe Maas, toendertijd Merwede genoemd, vloeiden, verschil-
lende opwassen waren bedijkt, werd nog voor de dertiende eeuw het geheel
binnen een aaneengesloten waterkering getrokken, waarvan binnen de stad
Rotterdam de Hoogstraat en de Schiedamse dijk de meest markante delen
vormen. (B92).
Met de ontginning van het uitgestrekte veengebied is waarschijnlijk niet
eerder dan in de 10e eeuw een aanvang gemaakt. (B43). De methode van
evenwijdige opstrekkende verkaveling volgens welke de Hollands-Utrechtse
laagvlakte is ontgonnen, is door Van der Linden uitvoerig bestudeerd.
Uitgegaan wordt van een rivier, veenstroom of gegraven watergang als ont-
ginningsbasis, waarlangs boerderijen worden gebouwd. Van daar worden de
hoeven uitgemeten, idealiter elk met een gelijke breedte en diepte. Aan-
nemelijk is dat de eerste ontginningen zijn aangevat vanaf de nog niet
ontgonnen delen der oeverwallen, de klei-op-veen oevers van de grote ri-
vieren en de direkt daarop uitkomende veenstromen. (B43) (O) (V).
Ontginning: Tot 1955 meenden historici dat de kolonisatie van de Hol-
lands-Utrechtse laagvlakte omstreeks 1200 begonnen was. (Geboren uit het
feit dat de oudst dan bekende oorkonde welke betrekking heeft op de kolo-
nisatie in Holland van 1233 dateert). Hollanders zo bleek later, koloni-
seerden in 1106 reeds de Bremer Marsen in Duitsland en verder onderzoek
leerde dat Esselijkerwoude, Rijnsaterswoude en Leimuiden reeds in 1063
kapellen hadden, waaruit en uit andere vergelijkingen opgemaakt kon wor-
den dat de kolonisatie van Holland voor 1063 begonnen moet zijn. In de
verdere studie komt men tot het jaar 1000 voor het eerste begin. Zoeter-
meer moet voor 1000 ontgonnen zijn en Zegwaart na 1200 en pas daarna Rog-
geveen (Rokkeveen). (B127) (O).
Natuurlijk zijn er in de oudste periode tot omstreeks 1000 wel teksten in
de volkstaal, het Diets, vastgelegd, maar hiervan is niets teruggevonden.
Het oudste zinnetje in een Nederlands dialect dat bewaard is gebleven,
werd in 1934 bij toeval door een Engelse geleerde in Oxford ontdekt. Het
zinnetje luidt: "Hebban alla vogala nestas hagunnan hinase hic anda thu"
(Hebben alle vogels nesten begonnen behalve ik en jij): de vertaling van
een Latijnse zin die er juist boven staat. Waarschijnlijk dateert het
zinnetje uit de elfde eeuw. Het duurde daarna nog wel honderd jaar voor-
dat er teksten in het Diets geschreven werden waarvan wij afschriften be-
zitten. (B128).
Het door een Westvlaming in Engeland rond 1100 neergekrabbelde liefdes-
zinnetje: "Hebban olla uogola nestas hagunnan. Hinase hi(c) [e]nda thu
uua[t] (u)ntida(n) (uu)e nu." ("Alle vogelen zijn nesten begonnen (te
bouwen) behalve ik en jij. Waarop wachten we nu?"). (B24). 1000 n. Chr. 0,55 m - N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150).
Voor 1000 waren er in het Westland twee parochies n.l. Monster en
Naaldwijk. (B135) (K).
1000-1100
De eerste dijk werd in Nederland pas in de 11e eeuw aangelegd. (B20).
In de 11e eeuw kwam een ronde stenen muur in gebruik, zoals te Leiden en
bij Teilingen nog te zien is. (B144).
Aanleg Oude zeedijk (Oude Maasdijk) begonnen rond het jaar 1000 door
Egmonder monniken en monniken van de Sint-Paulus abdij. Of het twintig,
vijftig of honderd jaar duurde voordat de dijk klaar was is niet te zeg-
gen. (B05, blz 13 t/m 15). In oorsprong is de beroemde weg naar Kralingen
vermoedelijk aangelegd door de Romeinen. In de 10e eeuw werd de weg ver-
hoogd om het water van de Maas te keren en in de 13e eeuw opnieuw ver-
hoogd zodat de weg vrijwel steeds droog bleef. Na de bouw van de nieuwe
dijk noemde men deze dijk "De Oude Dijk". (B20) (K) (R).
Slag bij Vlaardingen. ca. 1000. (B117).
Men meent dat de oudste sluizen dateren van kort na 1000 na Chr. (B65).
We zien kort na 1000 Dirk III zich nestelen aan de rivier bij Vlaardingen
"Friese" kolonisten uit het gebied benoorden de rivier waren begonnen de
wildernis van kreupelbos en moeras te ontginnen, ze groeven sloten om het
land droog te leggen en omringden hun akkers met kaden. Ter hunner be-
scherming en om zijn gezag te vestigen bouwde Dirk III in dit gebied,
misschien bij Vlaardingen een sterkte, vanwaar uit hij tevens de pas-
serende kooplieden werden gedwongen tol te betalen. Op de protesten van
de bisschop van Utrecht, aan wie dit gebied behoorde en die van Luik,
Trier en Keulen, die eveneens zekere rechten konden laten gelden, en op
de klachten der kooplieden, vooral die uit Tiel, besloot de keizer in te
grijpen. Maar Dirk kon zich handhaven, dankzij een overwinning op de ge-
lande troepen. (B144). (K).
Rond 1000 (Alpertus Mettensis). Een aantal Friezen vestigden zich in de
wildernis, de Meriwido (Vlaardingen). Maar de roovers hebben hen nader-
hand onderworpen; aan een ieder wezen zij land toe ter ontginning enz. In
1018, slag bij Vlaardingen om de Friezen te verdrijven uit hun wederrech-
telijk ingenomen woonplaatsen en de roovers te verwijderen, (roovers =
welgeborenen??). (B35) (O).
"In het moer van Holland, met zijn vennen en reigerbossen, poerden de
moddergasten al sinds het begin van de 11e eeuw. Eerst van de duinen uit
de wildernis in, later ook vanaf de hoge oevers van Maas en Schie."
(Bron: Van Hunebed tot Hanzestad, J. de Rek, 1977).
De Zanddijk tussen Bakkum en Limmen beschermden de abdij van Egmond al in
de 11e eeuw. (B25). (K).
Zoetermeer is een ontginningsdorp in het begin van de 11e eeuw op de
oostoever van het Zoetermeerse Meer ontstaan. (B01) (O).
1005. Koning Hendrik II leidt een krijgstocht tegen de West-Friezen, ten
behoeve van Dirk III. (B136).
1006-1007. Laatste Noormannenaanvallen, beschreven door Alpertus van Metz
(B136).
1010-1026. Adalbold, bisschop van Utrecht. (B136) (K).
1019. Dirk III van Holland verslaat het leger van de bisschop van Utrecht
en de hertog van Neder-Lotharingen, dat zijn te Vlaardingen gestichtte
tol kwam vernietigen. (B136) (K).
Veel minder zeker kunnen we zijn van de status (horige lieden of vrije
boeren) van de parochianen van Hillegersberg, het centrum van het Rotte-
gebied, zij waren onderworpen aan de kerkelijke autoriteit van de St.
Paulusabdij, maar over hun werledlijke positie worden we niet ingelicht.
(B158) (K).
De N.H. kerk van Leerbroek dateert vermoedelijk uit het stichtingsjaar
der gemeente n.l. 1025. (B113). (K).
Bij oorkonde van 3 februari 1028 bevestigd keizer Conrad de St. Paulus-
abdij in de goederen, geschonken door de bisschoppen Ansfried en Adel-
bold, waaronder de kerk Rotta. Rotta omvat Hillegersberg, en de later er-
van afgesplitste parochies Bleyswijk, Zevenhuizen, Cralingen en Rotter-
dam. Het woord Rotta zou oorspronkelijk afgeleid kunen zijn van een oud
woord voor ontginning "rode", dat nu nog voortleeft in het werkwoord
rooien. De kern van deze ontginning werd waarschijnlijk gevormd door de
zandheuvel van Hillegersberg. (B150) (K).
Het kerkje van Hillegersberg was voor 1026 door den bisschop van Utrecht,
wiens diocees toen bijna het gehele tegenwoordige Nwderland omvatte, ge-
schonken aan de St. Paulusabdij (toen nog Hohorst) te Utrecht. (B159) (K)
De Hillegondakerk van Hillegersberg (Rotte/Rotta) bestond al in 1028.
(B01). (K).
De kerk van Rotte bestond reeds in de tijd van bisschop Adelbold (overle-
den in 1026) (B038). (K).
3 febr. 1028. Kerk te Hillegersberg (Rottae) geschonken aan klooster te
Lokhorst (later de St. Paulusabdij te Utrecht). (B46). (K).
"Verder op lag nog in 1028 op kleinen afstand van de Merwede (Maas) de
kerk van Rotta (Hillegersberg). Onbegrensd liep de parochie van Rotta nog
naar het noorden en oosten uit in het eenzame veenland. Pas later zouden
hier hare dochters, de kerken van Bleiswijk, Zevenhuizen en Kralingen
ontstaan." (B04) (K) (V).
1028 Keizer Koenraad II bevestigt de abdij te Hohorst, de latere St.
Paulusabdij te Utrecht in het bezit van de door de bisschoppen Ansfried
(995-1010) en Adelbold (1010-1026) geschonken goederen waaronder de kerk
te Rotte Vrgl. voor de kerk van Vlaardingen en dochterkerken. (K).
1039-1049. Dirk IV, graaf van Holland. (B136).
De belangrijkste aanmuntingen in de noordelijke Nederlanden staan op naam
van de bisschop van Utrecht. Vanaf de verlening van het muntrecht in 1040
hebben vrijwel alle bisschoppen van deze stad munten geslagen. (B142) (K)
1049-1061. Floris I, graaf van Holland. (B136).
Vroegst bekende vermelding Abtsrecht 1050.
Op 2 september 1057 overleed abt Reinier de 4e abt van Egmond, van zijn
voorganger Bruno staat in de goederenlijst, in de tijd dat Bruno abt van
Egmond was aan de abdij geschonken goederen: "De tiende tusschen Delft en
Schieland, tot den waterloop Lede, en van de Lede tot de Striclede, en
van de Striclede tot aan't einde, een manfe, die jaarlijks zes deniers
opbrengt; noch ter zelver plaatze een vierendeel, dat jaarlyks vyftien
deniers opbrengt. (B151) (K).
1057-1067. Bisschop Willem van Utrecht. (B136) (K).
1061. Floris I van Holland vermoord, bisschop Willem van Utrecht wordt nu
met zijn graafschappen beleend. (B136) (K).
1061-1091. Dirk V, graaf van Holland, aanvankelijk onder voogdij van zijn
moeder Geertrui en haar tweede echtgenoot Robrecht de Fries uit Vlaande-
ren. (B136)
Het dorp Overschie bestond reeds voor 1063 onder de naam Kapel-aan-de-
Schie en werd later Ouderschie en ook wel Oud-Schiedam genoemd. De oude
kerk van Overschie werd door de Hoekschen in 1489 afgebrand. (B61) (K).
In oorkonde no. 225 staat Overschie op de kerkenlijst van 1063. (B78).
(K).
Vroegst bekende vermelding Ruiven 1063. [Achterhaald]
Zoetermeer was een bottingambacht; botting was een belasting, het woord
is een verbastering van bod - ding. Ding is een oud woord voor vergade-
ring of rechtszitting. In oude tijden bezocht de graaf alle plaatsen van
zijn graafschap en hield daar een rechtszitting, deze rechtszitting was
het bod - ding. Later ontstane plaatsen kenden deze belasting niet. Van
der Linden vermeldt dat in het jaar 1100 reeds geen bod-ding meer werd
gehouden, Hoefnagel neemt aan dat dat reeds in 1063 het geval was. (B127)
1063. Esselijkerwoude, Rijnsaterwoude en Leimuiden in ontginning. (B44)
(O).
Vroegst bekende vermelding Pijnacker en Delft 1063/1064.
In 1064 gaf Koning Hendrik IV het Hollands graafschap met alles wat daar-
bij behoorde, dus ook de abdij van Egmond aan de stoel te Utrecht. (B13).
(K).
Vroeger was de Rotte een riviertje dat vrij in de Maas stroomde; het werd
vermoedelijk reeds in 1065 door een sluis te Krooswijk van de Maas afge-
sloten. (B110).
De Grote kerk van Dordrecht eertijds gewijd aan Onze Lieve Vrouwe werd in
opdracht van graaf Dirk V door Pieter de Groot in 1077 gebouwd. Pieter de
Groot was de grootvader van Anna, een geestelijke maagd die in 1081 gebo-
ren zou zijn en stierf in 1196 (115 jaar oud). (B165).
Lijst van kerken, waarover de abdij van Egmond tussen 1083 en 1120 colla-
tierecht liet gelden, waarin "Berkel.Oldscie." (B13) en (B132) en (B146).
(K).
"Ik spreek niet van den blaffert van circa 1083 (Oork., I, no 105), omdat
de namen Oldscie en Berkel van de kerken op een lateren tijd kunnen wij-
zen". (B03, blz. 53). Pastoor Velthuyse schrijft echter in (B13) dat
"Rodenrijs - Berkel niet veel later dan 1050 als zelfstandige parochie
van de moederkerk (Overschie) is afgescheiden en "moeten wij tot het be-
sluit komen, dat zich in de 2e helft van de 11e eeuw te Rodenrijs een
ambacht en kerspel met kerk hebben bevonden." (B13) (K).
Zoetermeer, oorspronkelijk op de Oostoever van het Zoetermeerse Meer ont-
staan in het begin van de 11e eeuw is in de 12e eeuw tijdens de ontgin-
ning van de gebieden aan de zuidzijde van het meer hiernaar overge-
plaatst. (B01) (O).
Graaf Floris II bijgenaamd "De Vette" heerstte van 1091 tot 1122 vreed-
zaam over Holland. In die tijd kwam in de lage landen - onbeschreven en
in alle stilte - een wonder tot stand. Friezen, Hollanders en Zeeuwen
versjouwden onmetelijke hoeveelheden modder en zand. Zij die met sloten
graven land winnen, mogen dat als vrije mannen behouden, maar een 10e van
de opbrengst is voor de graaf. Ook ontwierpen zij drainage-systemen en
verstevigden zij de zeewereingen. Hopelijk zwaaien wij Floris II met
recht alle lof toe voor de dijkbouw, inpolderingen en droogleggingen.
(B117).
Regering van graaf Floris de Vette. (1091-1122). (B118).
De systematische ontsluiting van de wildernis in het graafschap Holland
moet gedurende de 11e en 12e eeuw in volle gang zijn geweest. Uitgifte
van wildernis welke aan de ontginningen ten grondslag hebben gelegen. De
tijdgenoot placht deze handelingen aan te duiden als "cope". (B44) (O).
Voor het begin der 12e eeuw was de "Botting" de grafelijke belasting, pas
daarna kwam de "Bede". Bottingambachten behoorden dan ook tot het oudste
woongebied van Holland. (B34).
1096-1099. Eerste kruistocht. (B143) (K).
Toen de eerste kruisvaarders in 1099 Jeruzalem veroverden troffen zij
daar in de nabijheid van het heilige graf bij de Onze Lieve Vrouwenkerk
een hospitaal tevens herberg, gewijd aan Johannes den Dooper aan.
Godfried bracht het tot nieuwe bloei en paus Paschalis II nam het onder
zijn bescherming. Raimond du Puy organiseerde het als een geestelijke
ridderorde, om zieken te verzorgen en voor het Christendom te strijden.
De orde van de Hospitaalridders droegen een rode mantel met een wit
kruis. (B145) (K).
Ca. 1100. De graven in Holland hadden vrij spel in hun gebied. Dat kwam
omdat het aan de ene kant begrensd werd door de zee en aan de andere kant
door grote meren en moerassen. (B96). (V).
Met veel gronds kunnen wy vaststellen dat het (Bleiswijk) zelfs reeds
voor of in den jaare 1100 bekend was, daar omtrent dien tyd het slot
Craanenburg gebouwd is; doch hier van nader - wy blyven intusschen van
den waaren ouderdom in het onzekere, even als van den naam des geenes die
men voor stichter, (zo de Heerlykheid kan gezegd worden een stichter ge-
had te hebben,) zoude kunnen houden. (B12).
Gosses deelt mede dat in Hazerswoude en Zoeterwoude de veencultuur al
zeer vroeg begonnen moet zijn (voor het begin van de 12e eeuw). (B34) (V)
1100-1200
In het begin van de 12e eeuw is er sprake van Oostvoorne. (B165).
Boeken waren zeer zeldzaam, in de 12e eeuw waren zij nog van perkament en
met de hand geschreven, waarbij ter besparing van perkament veelvuldig
van afkortingen gebruik werd gemaakt. Tijdens de kruistochten leerde men
in Syrië de vervaardiging van papier uit linnen lompen en versleten
henneptouw kennen. In Spanje kenden de Saracenen het reeds. (B145) (K).
De Beukelsdijk was een onderdeel van een 12e eeuwse dijk, deze werd aan-
gelegd door de heren Bokel. (B49).
In de Nederlandse gewesten bestond de ridderschap in de 12e eeuw voorna-
melijk uit ministerialen, dienaren van onvrije geboorte, die door hun
heer tot hogere bestuursfuncties of tot de ruiterdienst bestemd waren en
daarvoor een dienstleen kregen. (B136).
Tot rond 1100 was het voedsel van alle bewoners van ons land eentonig, de
hoofdmoot betond uit graanpappen, daarnaast vis, eieren en vlees. Door de
kruistochten leerde men ander, duur voedsel kennen. (B104).
Na ca. 1100 werden de houten burchten vervangen door van steen gebouwde
burchten. (B96).
De Gantel die het water uit Delft afvoerde was lang en dreigde dicht te
slibben. Dit probleem werd rond 1100 opgelost door het graven van de
Delf. Ter hoogte van de Kandelaar sloot de Delf aan op de veenstromen
Leede en Schie. (B99).
Vast staat dat er in Pijnacker al rond 1100 een kerkje heeft gestaan op
de plaats van de latere scheve toren van Pijnacker. (B109) (K).
De vervening van Holland nam ruwweg een aanvang in de 12e eeuw. (B34).
In een oorkonde van 1101 "comes de Hollant" - graaf van Holland; pas met
het graafschap van Dirk V is het graafschap Holland een feit. (B107).
Al in de 12e eeuw water er schutterijen of gilden van schutters, wier
taak het was de stad tegen onheil te beschermen. In de late middeleeuwen
werden er ook op het platteland schutterijen opgericht. (B103).
De Schie ter hoogte van Ruiven heette oudtijds niet Schie maar Delf. De
stad Delft, oudtijds Delf ontleent haar naam aan het water waar zij aan
ligt. Een Delf is een door mensenhanden gegraven vaart. (In Zeeland komt
dit woord nog voor in den vorm van Dulve, d.i. sloot). In 1157 blijkt de
Delf al gegraven te zijn en had er zich daar ook een nederzetting ge-
vormd. In een register van 1105-1120 wordt de Delf echter ook al genoemd.
In 1106 traden Hollanders als kolonisten op in Duitsland. (Bremen?).
(B44).
Onder Bleiswijk stond in vroeger tijden aan de westzijde der Oude Lede
het riddermatig huis "Kranenburg", dat in 1106 gesticht was door Alewijn,
burggraaf of tweeden kastelein van Leiden. Het slot Kranenburg dat als
een der oudste riddermatige huizen van den omtrek aan het geslacht Wasse-
naar verviel, waarvan een tak de naam Kranenburg aannam. (B29). (Slot
Kranenburg bevond zich volgens het 13e eeuwse kaartje van Beekman ca. 1
km ten oosten van het noordelijkste punt van de latere Noordpolder
Berkel) in Bleiswijk nabij het op de Rotte aansluitende watertje Leede.)
Byzonderheden. Hier onder zouden wy, mogelyk kunnen betrekken, de plaats
alwaar het aloude slot Craanenburg, reeds meermaale genoemd, gestaan
heeft; hetzelve werd gesticht door zekere Alewyn, tweede Castelein van
Leiden, in den jaare 1106, wiens afstammelingen het veele jaaren hebben
bezeten, met 200 morgen lands, daar om- en aan gelegen, en uit welk ge-
slacht het is overgegaan, aan dat van Wassenaar, waarvan Bartholomeus van
Wassenaar getrouwd was, met ... van Bleiwsyk, van welke afstammelingen
een tak den naam Cranenburg heeft aangenomen; dan, dit slot heeft waar-
schynelyk ten tyde van de Hoeksche en Kabeljauwsche verdeeldheden, den
storm der verwoestingen moeten ondergaan, en door de verveeningen zyn
daarvan geene de minste overblyfsels meer te vinden, zo dat wy deezen
aangaande onze leezers niet verder kunnen heenwyzen, dan gelyk gezegd is,
slechts in aandenken te beschouwen, de plaats alwaar hetzelve gestaan
heeft. (B12).
Cranenburg blijkt evenwel een voormalig adelijk Huis te Bleiswijk (een
nabuurdorp van Zevenhuizen) a/d Rotte te zijn geweest dat waarschijnlijk
in de Hoekse en Kabeljouwse twisten is verwoest. In 1106 was dit slot van
Bartholomeus van Wassenaar, die het hoofd van een nieuw geslacht werd en
de naam van dit adelijk Huis heeft aangenomen.
Bij gebrek aan mans oir kwam het later door huwlijk van Elisabeth van
Cranenburg Engelsdochter met Adriaen van der Houve in het bezit van dit
huis Van der Houve, waarin het niet lang bleef, aangezien hun dochter
Margaretha het door haar huwlijk met Huybert van der Meer Pieterszoon
weer in diens geslacht bracht. Deze Huybert van der Meer werd in 1512 op
de rijksdag te Keulen door Keizer Maximiliaan van Oostenrijk verheven tot
edelman van het Heilige Roomse Rijk. Hij overleed in 1514 te Eijk-en-Dui-
nen bij Den Haag. Dit geslacht werd ook wel genoemd Van der Meer van
Cranenburg en was ook in Leiden woonachtig. (B126) (HK).
"Men dient te beseffen dat in de twaalfde eeuw niet alleen de Maasmond
zich veel verder noordelijk uitstrekte dan thans, zoodat Naaldwijk en
Monster aan den rand van het vasteland lagen, maar bovendien verscheidene
wateren nog in open verbinding met de zee stonden: De Schie, welks boven-
loop, gelijk gezegd, denkelijk door de Oude Lede en de Striklede gevormd
werd. Reeds Beekman heeft geopperd, dat het kromme deel van de Schie
niets anders zou kunnen wezen dan de voortzetting van het eveneens krom-
me, dus natuurlijke watertje dat achtereenvolgens Striclede en Lede heet-
te en welks bovenloop nog in de Strikkade ten westen van Pijnacker en in
de Oude Lee (langs het dorp van dien naam en in den Akkersdijkschen pol-
der) terug te vinden is." (B06) ( Gezien de ligging is het echter ook mo-
gelijk dat de Oude Lede aansloot op de Hark bij Ketel die in de Maas uit-
monde of de Kene bij Schipluiden die via de Sparte naar de Maas liep. De
meest natuurlijke loop is die via de Hark bij Ketel. De schrijver I.H.
Gosses (B04) is van mening dat dat onmogelijk was omdat de kerk te Schie
dan onmogelijk onder Vlaardingen zou kunnen vallen.) (K).
In de twaalde en dertiende eeuw is de invoering van de baljuw functie een
algemeen Westeuropees verschijnsel, een uiting van macht der landsheren,
die hun territoria in baljuwdistricten verdeelden, waar de baljuw als hun
plaatsvervanger optreedt. (B26). In de grafelijke baljuwschappen wordt
een baljuw direct door de graaf benoemd. In de heerlijke baljuwschappen
werden de baljuws door de lokale heer benoemd, maar alleen als de heer de
hoge heerlijkheid over dat gebied bezat. (B26). De graven van Holland
kenden in hun land reeds voor de invoering van de baljuw functie een
functionaris die optad als vertegenwoordiger van de graaf n.l. de burg-
graaf. (B26).
De burcht in Leiden was in 1108 in handen van de Utrechtse leenman
Adelwinus de Ledene, omstreeks 1125 trad diens familie in diens geslacht
in grafelijke dienst. (B70).
Adelwinus de Ledene, getuige oorkonde 1108, had in 1108 meerderjarige zo-
nen. (B152).
1113. De aartsbisschop van Hamburg schenkt veengrond aan Hollandse kolo-
nisten ter ontginning. (B126) K).
1118. De orde van de Tempeliers werd in dit jaar door een negental rid-
ders, waaronder de Vlaming Godfried van St. Omaars, gesticht met het doel
pelgrims op hun reis van de kust naar Jeruzalem tegen Sacraceensche en
andere vagebonden te beschermen. De opvolger van Boudewijn I schonk hen
een woning nabij de Tempel van Salomo, vandaar hun naam. Zij droegen wit-
te mantels met een rood kruis. (B145) (K).
In 1121 plaatste Petronella, de weduwe van Floris II, haar kapelaan Axe-
linus in het klooster (van Egmond) en maakte hem abt om op deze wijze o-
ver de goederen van de abdij gemakkelijk te kunnen beschikken. Axelinus,
weinig op de hoogte van het kloosterleven verkwistte de inkomsten, zodat
de monnikken gebrek begonnen te lijden. Naar aanleiding van de bouw van
een nieuwe abdijkerk benoemde de gravin drie leken tot leiders van de
kerk, die op deze wijze de beschikking kregen over de goederen der kerk,
deze roofden en er de bruidsschat hunner kinderen mee betaalden. Toen
dit alles verkeerd liep besloot Petronella op aansporing van bisschop
Andreas van Utrecht om een geschikt persoon uit het klooster van Gent te
zenden, die als abt orde op zaken zou stellen. De nieuwe abt Walterus
kwam in 1130 en heeft in de geestelijke en stoffelijke positie van de
abdij verbetering gebracht. (B125). (K).
1124/1129 Onder abt Acselinus van Egmond geschreven St. Adelbertsboek of:
"Liber sancti Adalberti": "In Ruvene 16 libras. Juxta Delf 10 mansus 6
libras. In Scipliede 20 libras. Ex parte Delf 9 mansus 9 libras. Juxta
Scie duo mansus Adaloldi 9 unicias; item mansus Walteri 6 unicias et una
fiertella 30 denarios." (B146) (K).
De Swet van Manthete scheidt het tiendgebied van Delft (Hof van Delft)
van dat van Schieland; (de grens loopt) naar de Lede (Oude Lede), van de
Lede naar de Striclede en van de Striclede naar het einde (het onbegaan-
bare veen)". De toevoegingen () stammen uit de dertiende eeuw. Bron: Gra-
venregister van 1125. Een Zwet is een grensscheiding gewoonlijk gevormd
door een sloot, deze Zwet is/was niet de "Berkelse" Zwet. (V).
In 1125 wordt al gesproken over het onbegaanbare veen in Berkel. Globaal
kunnen we stellen dat de vervening van Berkel en Rodenrijs heeft plaats-
gevonden tussen de 13e en de tweede helft van de 19e eeuw. (B&R) (V).
In 1128 erfde Christiaan, heer van Weena, Beukelsdijk en Blommersdijk,
tweede zoon van heer Alewijn, burggraaf van Leiden, de goederen van
Berkel en Bleiswijk. (B29).
In 1130 verzocht men aan abt Arnaud van de St. Pietersabdij van Gent een
monnik naar Egmond te zenden die de vervallen toestand in de abdij kon
herstellen. Walter, de proost van Harnes in Henegouwen werd tot abt van
de abdij van Egmond benoemd op 7 september 1130, hij overleed 28-11-1161.
(B148) (K).
1133. Petronella van Saksen, weduwe van Floris II van Holland stichtte
het benedictinessenklooster te Rijnsburg, zonder enig verband met Egmond
of medewerking van die abdij. De gravin liet zusters komen van het Sak-
sische klooster St"tterlingenburch. Bisschop Andreas van Kuyk wijdde de
kerk op 15 september 1133 in. Het bleef evenals Egmond voorlopig een ei-
genklooster van de graaf; maar in 1140 droeg graaf Dirk VI Egmond en
Rijnsburg over in eigendom van de heilige stoel. Beide genoten sindsdien
de bescherming van de paus. Later werden slechts hoogadelijke nonnen in
het convent opgenomen. (B125). (K).
De in 1133 gestichte abdij van Rijnsburg is in de 80 jarige oorlog ver-
dwenen. (B165).
Ten gevolge van een onenigheid met gravin Petronella, de weduwe van
Floris II de Vette (overleden in 1122), verloor de Egmondse abdij in de
12e eeuw zijn betekenis als mausoleum van het grafelijk huis. Petronella
stichtte n.l. op een grafelijk goed te Rijnsburg een Benadictijner abdij
voor adelijke vrouwen in 1133. (B118). (K).
De windmolen (standerd molen) in Engeland ca. 1137, Frankrijk ca. 1180,
in Belgie 1183 en in Merum limburg in 1240. De oudst bekende afbeelding
van een standerd molen is van 1275. Het waren vooral de Cisterciënzer
monniken die zich bezig hielden met molenbouw en nieuwe ontwikkelingen
daaraan. In het begin allemaal korenmolens. (K) (M).
In 1139 kwam ook graaf Dirk VI van Holland (de zoon van Floris II) naar
Jeruzalem. Hij werd op zijn tocht vergezeld door zijn gemalin Sophia,
dochter van Otto, paltsgraaf aan den Rijn. Dirk VI zag zijn ijver beloond
door den paus, die op zijn verzoek de abdijen van Egmond en Rijnsburg
vrij verklaarde van de Utrechtse kerk en deze rechtstreeks onder den
Heilige Stoel stelde. (B145) (K).
Vroegst bekende vermelding Papswoude (Popswoude/Poptestwolde) < 1144.
(B04).
Papsou = Popteswolde = woud van Popta ) Popta is een Friese mansnaam,
waarschijnlijk de ontginner van deze streek in de 11e eeuw). Latere naam
Abtswoude. (B39) (O).
Vroegst bekende vermelding Akkersdijk (Vrouwenrecht) 1144.
Omstreeks 1140 schonk gravin Petronella aan het door haar gestichte
klooster Rijnsburg een aantal hoeven. Dit gebied heette voortaan Vrouwen-
recht, naar de abdis (vrouwe) van Rijnsburg. (B39). (K).
In Jeruzalem werd door een Duitscher en zijn vrouw een huis tot verple-
ging van Duitsche pelgrims gesticht, daarnaast bouwde hij daar een kapel.
Er vormde zich een congregatie van ziekenbroeders, die door paus
Coelestinus II in 1143 erkend en onder het toezicht van den grootmeester
van de Hospitaalridders gesteld. Uit deze broederschap ontstond tegen het
einde van de 12e eeuw de Duitse Orde, wier ridders in witte mantels met
een zwart kruis gekleed gingen. (B145) (K).
Al zeer vroeg, voor 1144 was het klooster te Rijnsburg begiftigd met o.a.
6 hoeven gelegen aan de Lede, die later een gedeelte van Vrouwenrecht
zouden gaan vormrn. [Op een kaartje van ca. 1400 ligt dit gedeelte van
Vrouwenrecht tussen de Oude Lede, de Akkerdijkseweg en de Schie in]. (K).
1147-1149. Tweede kruistocht. (B143) (K).
De ontginning van Zegwaard begon omstreeks 1150. (B01) (O).
Midden 12e eeuw, t.g.v. overstromingen werd het gebied ten zuiden en ten
westen van de lijn Loosduinen-Rijswijk-Maasland bedekt onder een kleilaag
van max. 1 1/2 m dikte. Gespaard bleven slechts de duingronden bij
Monster en Naaldwijk. Door de overstromingen werden bestaande woonplaat-
sen en landbouwgronden verwoest. (B135).
In het midden van de 12e eeuw werd het gebied aan weerszijden van de
Schie-Delf geteisterd door grote overstromingen. (B99).
Niermeyer (B06) spreekt over 1150 als jaar dat de Oude Maasdijk (zeedijk)
klaar was. De dijk kwam tot stand in het midden van de 12e eeuw. (1150
voltooid). (B06).
Reeds veel vroeger had de abdij (Abdij van Egmond) over de tienden in
Rodenrise beschikt, omstreeks 1161 ((Oork, I, no 140). (B03, blz. 52.).
Het ambacht van Roderise wordt genoemd tusschen 1130-1162 (Oork. I, 140),
Daniel van Rodenrise wordt vermeld in 1156 en 1168 (Oork. I, 133, 147)
(B03) (K).
Abt Wouter van Egmond (1130-1161) schenkt aan het ziekenhuis te Egmond
inkomsten uit landerijen o.a. tienden uit Rodenrise. (B13). (K).
Ad uses serviencium et hospitum et reliquias fratum insuper et deciman
in Roderinse. (Goederenlijst onder abt Walter/Wouter 1130-1161). (B146).,
(K).
De Vlaamse graaf Dirk van den Elzas in 1164 voor de 4e maal naar het Hei-
lige land getrokken kwam in dat jaar in Jeruzalem aan. Dirk keerde naar
Vlaanderen terug en stierf daar in januari 1168. Hij werd opgevolgd door
zijn zoon Philips van den Elzas. Graaf Floris III van Holland had van de
afwezigheid van Dirk gebruik willen maken, om de leenheerschappij van
Vlaanderen over Zeeland af te schudden, maar hij was tweemaal verslagen
en ten slotte gevangen genomen. Na Philip's troonsbestijging (1168) kwam
Floris vrij en zag van verdere aanvallen op Vlaanderen af. (B145) (K).
In 1184 maakte hij zelf (Floris III van Holland) een pelgrimstocht naar
Jeruzalem. Zijn moeder Sophie, was er reeds tweemaal heengetogen, o.a. in
1173 met zijn broeder, graaf Otto van Bentheim en vergezeld door IJsbrand
van Haarlem. Zij overleed op de 3e reis in 1176 te Jeruzalem en werd be-
graven in het hospitaal van de Duitse pelgrims. (B145) (K).
De Maasdijk werd verbeterd en voltooid omstreeks 1170-1180. (B137).
Rond 1175 werd de Hargpolder bij Ketel bedijkt met financiële hulp van de
abdij van Egmond. "Herstel dijk Malink (onder Ketel) en aanleg nieuwe
dijk in Hargan (Ketel)". (B22). (K).
De baljuw functie is omstreeks 1178 in het gebied van de graaf van Hol-
land geintroduceerd. In 1213 trad er een baljuw van Holland op en in 1230
bestond het grote baljuwschap Holland. Later in de dertiende eeuw volgden
afsplitsingen en vormden er zich kleinere eenheden, die kunnen worden om-
schreven als regionale baljuwschappen (zoals Rijnland, Delfland en Schie-
land). (B26).
Rond 1179 werd het eigenkerkrecht vervangen door het patronaatsrecht. De
adelijke heren werden i.p.v. eigenaar beschermheer (patroon). Het patro-
naatsrecht viel geheel onder de kerkelijke rechtsmacht. (B13) (K).
1189-1192. Derde kruistocht. (B143) (K).
1188/1189. Tot hen die het kruis opnamen behoorden: graaf Floris III van
Holland, zijn zoon Willem en zijn broeder Otto I graaf van Bentheim, heer
Hendrik van Kuik, graaf Otto I van Gelre, de hertogen van Limburg en Bra-
bant, de graven van Loon enz. (B145) (K).
Na aankomst in Antiochië, breekt een ernstige epidemie uit. Tot de
slachtoffers behoort graaf Floris III van Holland, die op 1 augustus 1190
overlijdt. Hij wordt begraven in de kerk van St. Pieter, nabij het graf
van den keizer. Zijn jeugdige zoon Willem, die hem tegen zij zin gevolgd
was, vergezelt Frederik van Zwaben naar Arce. In oktober 1190 komen zij
daar aan. In 1191, na de bezetting van Acre op 12 juli 1191, keerde
Willem van Holland naar zijn land terug, waar zijn broeder Dirk VII aan
de regering was gekomen. Deze gaf hem een gedeelte van Friesland ten
Oosten van het Vlie, dat in de 12e eeuw door den keizer aan de graven van
Holland was geschonken. Toen Dirk stierf en door zijn dochter Ada werd
opgevolgd, betwiste Willem zijn nicht de opvolging. Met behulp van
Kennemers en boerenvolk uit den omtrek van Leiden, slaagde hij er in het
graafschap Holland te overmeesteren. (B145)(K).
Oorkonde No. 540 van 1198. Graaf Diederik VII van Holland schenkt aan de
vicarie ter nagedachtenis van zijn vader Floris en gesticht aan de noord-
zijde van de kerk van St. Marie te Utrecht, enig land aan de Poel bij
Naaldwijk. (Naltwic). (B94) (K).
De Heerlijkheid Rhoon ontstond in 1199. (B01).
Het stichtingsjaar van Rhoon, 1199 (B106).
1200-1300
In de middeleeuwen viel vanaf ca. 1200 de Hollandse bevolking uiteen in
twee groepen n.l.: 1) huislieden, te weten vrije en onvrije personen en
2) welgeborenen. (B26). Voor beide groepen bestond er een rechtskring
resp.: schout en lage vierschaar en baljuw en hoge vierschaar (welgebo-
ren mannen) (B26).
Het stadje Schoonhoven is ontstaan rond de burcht die Jan van Lede aan
het begin van de 13e eeuw hier liet bouwen. (B165).
De kerk van Haastrecht heeft een vroeggotisch (13e eeuws) onderstuk.
(B165).
De toren van de kerk van Noordwijkerhout is van oorsprong 13e eeuws en
werd in de 14e eeuw verhoogd. (B165).
De grote Gotische kruiskerk van Noordwijk-Binnen met toren uit de 13e
eeuw deelt de Voorstraat als het ware in tweeën. (B165).
1200. Aan het eind van de Schie in de latere polder Schieveen lag een
tweede Hof te Schie, waartoe o.a. het ambacht Rodenrijs behoorde. Het am-
bacht waar graaf Dirk II reeds een hof bezat grensde aan de Schie, Oude
Lede, Stricklede en ten oosten aan de landscheiding. Dit hof bestond uit
13 hoeven en 360 ha grond. (B37).
Het in de 13e, 14e en 15e eeuw 't Rintveen geheten deel van de polder
Ackersdijk bezuiden de Oude Leede, behalve 3 morgen in de noordoost hoek
en behalve de Zwetkade. (B64).
Nieuw-Lekkerland komt reeds in de 13e eeuw voor als kerkdorp "Leckelant"
(B113) (K).
Rond de 13e eeuw was de gemiddelde leeftijd van de mens 35 jaar. (B93).
De Hofstad De Tempel moet ergens in het begin van de 13e eeuw zijn ont-
staan. (B99).
Het woord "Hofstad" vonden we in de 13e en 14 eeuw in: Leiden (1223),
Schie (1268), Monster (1281), 's Gravenzande (1281), Schipluiden (1295),
Barendrecht (1320), Rijswijk (1330), Oegstgeest (1355), Rodenrijs (1393).
(B106).
In de 13e eeuw werden ook rechtsgebieden uitgegeven die kleiner waren dan
de baljuwschappen maar ook hoge heerlijkheden vormden. De uitgifte van
deze kleine hoge heerlijkheden aan lokale heren paste in de grafelijke
politiek om de ontginning te stimuleren van kleine woeste gebieden. In de
13e en 14e eeuw onstaat er maar af en toe een nieuw lokaal baljuwschap
een tweede generatie lokale baljuwschappen ontstaat in en omstreeks het
eerste kwart van de 15e eeuw. (B26) (O).
Van Hazerswoude, Zoeterwoude, Rijnzaterswoude en Esselijkerwoude wordt
vermeld, dat ze in de 13e eeuw al veen hadden. (Van den Bergh, 64).
(Veenderij terminilogie, H. Crompvoets, 1981). In de Rijnlandse veen-
streek ligt op enkele plaatsen een oudere verkaveling onder de huidige,
jongere (die van de dertiende eeuw dateert). (B25) (V),
Nootdorp is een ontginningsdorp, vermoedelijk in de 13e eeuw ontstaan.
(B01) (O).
Het dorp De Lier, voor het eerst vermeld in 1201 is ontstaan aan het ri-
viertje De Lee. (B01).
1202-1204. Vierde kruistocht. (B143) (K).
In 1202 is het hoogheemraadschap Rijnland ontstaan. (B25).
In 1203 in er al sprake van een Tempelveld, omgeving Dordrecht. (B46).
Willem I heeft na 1203 (tijdens zijn leven) Friese kolonisten in Holland
gehaald, voor ontginning en voor dijkbouw, onder het patronaat van hun
heilige, St. Odulf (de patroon van het bekende Staverse klooster en van
de hele Friese Zuidhoek). (B25) (K) (O).
De omzetting van het oude ambt van castellanus, in een leen, burggraaf
van Leiden, vermoedelijk ca. 1204. (B152).
Oorkonde No. 569 van 1204-1209 of 1216-1225. Vermelding van Suythollant
(Zuythollant). (B94).
In 1211 schonk de graaf belangrijke vrijheden aan de lieden van de abdij
in Popswoude. (B148) (K).
1212. Kinderkruistocht. (B143) (K).
Vroegst bekende vermelding Vrijenban 1212. (B04).
Vrijenban, het poldergebied waartoe Delfgauw behoorde werd in de jaren
1212-1214 al genoemd. (B17).